Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:102

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
AUA201002658
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor het treffen van een voorlopige voorziening zal slechts aanleiding bestaan, indien verzoekster een zodanig spoedeisend belang heeft, dat niet van haar kan worden gevergd dat zij de beslissing in de bodemzaak afwacht.

Naar het oordeel van de voorzieningsrechter is het bestaan van een zodanig spoedeisend belang aan de zijde van verzoekster onvoldoende gebleken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de inhouding op

haar salaris in een onomkeerbare financiële noodsituatie komt te verkeren. Nu het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisend belang ontbeert, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 september 2019

Gaza nr. AUA201002658

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoekster],

wonende te Aruba,

VERZOEKSTER,

procederend in persoon,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 10 juli 2019 no. 1 (het bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om aan klaagster de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van haar inkomen ter hoogte van Afl. 500,- op te leggen.

Tegen het bestreden landsbesluit heeft verzoekster op 7 augustus 2019 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Bij verzoekschrift van 8 augustus 2019 heeft verzoekster gevraagd om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de La.

Het verzoekschrift is op 2 september 2019 behandeld in raadkamer, alwaar is verschenen verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. Verzoekster is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Feiten

1.1

Klaagster is ambtenaar werkzaam bij de Dienst Technische Inspectie (DTI) in de functie van hoofd algemene zaken.

1.2

Bij beschikking van 15 maart 2018 is klaagster de toegang tot DTI ontzegd voor de duur van zes weken vanwege het niet nakomen van recent gemaakte afspraken omtrent klaagsters ongepaste omgang met het personeel van haar afdeling met name in het bijzijn van klanten.

1.3

Bij brief van 13 augustus 2018 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om zich te verantwoorden.

1.4

Bij brief van 10 september 2018 heeft verzoekster zich verantwoord.

1.5

Bij brief van 24 januari 2019 reageert het hoofd DTI op klagers verantwoording.

1.6

Bij advies van 3 juni 2019 heeft het Departamento di Recurso Humano (DRH) verweerder geadviseerd om aan klaagster de disciplinaire straf van gedeeltelijk inhouding van Afl. 500,- op het inkomen op te leggen.

1.7

Bij bestreden landsbesluit heeft verweerder besloten om aan klaagster de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van haar inkomen ter hoogte van Afl. 500,- op te leggen.

De beoordeling

2.1

Ingevolge artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. Voor honorering van het verzoek is in het algemeen grond, indien een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beslissing in de hoofdzaak niet in stand zal blijven.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.3

Verzoekster betoogt dat het, gezien het tijdsverloop van twaalf maanden, onacceptabel is dat aan haar een disciplinaire straf wordt opgelegd.

2.4

Verweerder heeft aan het bestreden landsbesluit – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat klaagster niet heeft gehandeld zoals een goed ambtenaar betaamd, dat klaagster zich niet heeft gehouden aan de recent gemaakte afspraken, en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

2.5

Voor het treffen van een voorlopige voorziening zal slechts aanleiding bestaan, indien verzoekster een zodanig spoedeisend belang heeft, dat niet van haar kan worden gevergd dat zij de beslissing in de bodemzaak afwacht.

2.6

Naar het oordeel van de voorzieningsrechter is het bestaan van een zodanig spoedeisend belang aan de zijde van verzoekster onvoldoende gebleken. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de inhouding van Afl 500,- op haar salaris in een onomkeerbare financiële noodsituatie komt te verkeren.

2.7

Nu het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisend belang ontbeert, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter terechtzitting van maandag 16 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.