Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2019:101

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
AUA201802030
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de stukken blijkt dat klager benoemd is in de functie van bewakingsmedewerker en dat deze functie een maximale waardering heeft van schaal 5. Het gerecht ziet in hetgeen klager naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder de afwijzing in redelijkheid niet op de benoemde functie mocht baseren.

Klager beroept zich ter zitting op het gelijkheidsbeginsel. Het gerecht overweegt dat deze - eerst ter zitting - door klager naar voren gebrachte beroepsgrond als tardief en in strijd met beginselen van goede procesorde moet worden aangemerkt.

De door klager (voorts) aangedragen gronden, waaronder zijn stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel, zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en werpen daarom onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Nu geen van de door klager aangedragen gronden doel treft, wordt het bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 september 2019

GAZA nr. AUA201802030

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij brief van 15 mei 2018 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder het verzoek van klager voor een bevordering naar de functie van beveiligingsmedewerker (schaal 6) afgewezen.

Hiertegen heeft klager op 6 juli 2018 bezwaar gemaakt.

Klager heeft op 13 november 2018, 15 februari 2019, 10 april 2019 en 11 april 2019 stukken ingediend.

Verweerder heeft op 29 november 2018 stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2019. Klager is bijgestaan door zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd de bestreden beschikking pas op 7 juni 2018 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaar wel is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar.

De feiten

2.1

Klager is ambtenaar werkzaam bij het Cuerpo Especial Arubano (CEA).

2.2

Bij landsbesluit van 30 maart 2005 heeft verweerder besloten klager met ingang van 1 december 2004 voor de duur dat hij zijn functie bij de CEA uitoefent, te benoemen tot buitengewoon agent van politie (BAP), onder toekenning van algemene opsporingsbevoegdheden.

2.3

Bij landsbesluit van 7 december 2005 heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 juli 2004 te bevorderen in de functie van bewakingsmedewerker bij het CEA met vaststelling van zijn bezoldiging op schaal 4, dienstjaar 8. Verweerder overweegt onder andere:

“(…)

dat het functioneren van betrokkene een bevordering in de functie van (maximale waardering schaal 5) bewakingsmedewerker rechtvaardigt;

(…).”

2.4

Klager heeft van 2004 tot en met 2011 bij het ‘visibility team’ van het Korps Politie Aruba gewerkt.

2.5

Bij landsbesluit van 4 juni 2009 heeft verweerder besloten om klager met ingang van 1 juli 2008 te bevorderen in de functie van bewakingsmedewerker bij het CEA met vaststelling van zijn bezoldiging op schaal 5, dienstjaar 7. Verweerder overweegt onder andere:

“(…)

dat het functioneren van betrokkene een bevordering in de functie van bewakingsmedewerker rechtvaardigt;

dat de functie van bewakingsmedewerker maximaal op het niveau van schaal 5 wordt gewaardeerd.

(…).”

2.6

Bij brief van 10 maart 2017 heeft klager verzocht hem met ingang van 1 juli 2011 te bevorderen als beveiligingsbeambte bij de CEA in schaal 6.

Het wettelijk kader

3.1

Ingevolge artikel 13, eerst lid van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

3.2

Ingevolge artikel 4, tweede lid van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: BRA), dient de ambtenaar om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering aan de voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

De standpunten van partijen

4.1

Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat klager reeds de maximale waardering van zijn functie (bewakingsmedewerker) heeft bereikt. Derhalve kan hij niet worden bevorderd naar een hogere schaal. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat conform het concept rangenstelsel Bewaking- en Beveiligingspersoneel CEA de maximale schaal voor de functie ‘algemene bewakings- en beveiligingsmedewerker’ vastgesteld is op schaal 5 en maximale schaal voor de functie van ‘speciale bewakings- en beveiligingsmedewerker’ vastgesteld is op schaal 6. Klager is, niettegenstaande het feit dat hij tijdens zijn werkzaamheden bij het Visibility team een wapen heeft gedragen, formeel benoemd in de functie van ‘algemene bewakings- en beveiligingsmedewerker’. Klager voldoet overigens ook niet aan de functievereisten voor een hogere functie, omdat hij niet beschikt over de vereiste militaire achtergrond.

4.2

Klager kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking en voert daarbij het volgende aan. Klager is ‘beveiligingsmedewerker’ en geen ‘bewakingsmedewerker’. Bewakingsmedewerkers bewaken gebouwen. Beveiligingsmedewerkers niet. Klager houdt zich bezig met het handhaven van de openbare orde en rust. Klager is tot buitengewoon agent van politie benoemd, aan hem zijn algemene opsporingsbevoegdheden toegekend. Klager heeft gedurende zijn werkzaamheden bij het Visibility team een vuurwapen gedragen. Hij had patrouillewerkzaamheden. Als gevolg van een bedrijfsongeval kan hij medisch niet in staat worden gesteld om de positie van beveiligingsmedewerker te blijven voldoen. Dit mag hem echter niet tegengeworpen worden. Klager is niet bekend met het concept rangenstelsel. Ter zitting voert klager aan dat vijf van zijn collega’s van het CEA wel zijn bevorderd naar schaal 6. Deze collega’s hebben geen militaire achtergrond. Ook zijn er vele ambtenaren die de BAP-opleiding hebben gehaald. Deze ambtenaren hebben een salariëring die veel hoger ligt dan schaal 6. In de bestreden beschikking heeft verweerder geen melding gemaakt van het feit dat klager de BAP-opleiding heeft gehaald.

De beoordeling

5.1

In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder op goede grond heeft beslist om het verzoek van klager af te wijzen. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het gerecht voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.2

Uit de onder 2.3 en 2.5 genoemde stukken blijkt dat klager benoemd is in de functie van bewakingsmedewerker en dat deze functie een maximale waardering heeft van schaal 5. Het gerecht ziet in hetgeen klager naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder de afwijzing in redelijkheid niet op de benoemde functie mocht baseren. Dat klager gedurende de periode 2004 tot en met 2011 naar eigen zeggen bewapende werkzaamheden bij het visibility team heeft uitgevoerd, maakt dit niet anders. Hieraan kan klager immers geen recht op bevordering ontlenen, te minder nu een dergelijke bevordering feitelijk zou betekenen dat hij in een schaal terecht komt die buiten het kader van zijn functie valt.

5.3

Het betoog van klager dat de functieprofielen nooit aan hem bekend zijn gemaakt en dat hij hierdoor niet wist dat zijn functie maximaal was gewaardeerd op schaal 5 slaagt niet, nu verweerder in de onder 2.3 en 2.5 genoemde landsbesluiten duidelijk heeft overwogen dat de functie van bewakingsmedewerker maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 5. Vast staat dat klager tegen deze besluiten niet is opgekomen.

5.4

Klager beroept zich ter zitting op het gelijkheidsbeginsel. In dat verband wijst klager op vijf van zijn collega’s die wel naar schaal 6 zijn bevorderd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voornoemd beroep op het gelijkheidsbeginsel tardief is en dat hij geen informatie heeft over de vijf genoemde gevallen. Het gerecht overweegt dat deze - eerst ter zitting - door klager naar voren gebrachte beroepsgrond als tardief en in strijd met beginselen van goede procesorde moet worden aangemerkt. In dit verband speelt een rol dat niets gebleken is met betrekking tot de specifieke bijzonderheden die in het geval van de vijf collega’s al dan niet aan de orde zijn. Niet beoordeeld kan daarom worden of daadwerkelijk sprake is van gelijke gevallen. Ook is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van klager redelijkerwijs niet eerder in de gelegenheid was om een (onderbouwd) beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel te doen. Het betoog van klager wordt daarom verworpen.

5.5

De door klager (voorts) aangedragen gronden, waaronder zijn stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel, zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en werpen daarom onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

5.6

Nu geen van de door klager aangedragen gronden doel treft, wordt het bezwaar ongegrond verklaard.

DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar van klager ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. Th. Veling, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 16 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.