Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:90

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
AUA201803404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - Het gerecht ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot verwijdering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 november 2018

Lar nr. AUA201803404

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[VERZOEKSTER],

verblijvende in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift, gedateerd 21 oktober 2018, heeft verweerder de verwijdering van verzoekster bevolen.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster op 25 oktober 2018 bezwaar gemaakt.

Op 25 oktober 2018 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 2018. Verzoekster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

1.2

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (Ltuv) kan de minister van Justitie uit Aruba verwijderen:

(…)

b. personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.

Feiten

2.1

Verzoekster heeft de Colombiaanse nationaliteit.

2.2

Verzoekster is in 2012 Aruba binnengekomen als toerist.

2.3

Aan verzoekster is vanaf 26 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2017 een vergunning tot tijdelijk verblijf afgegeven om als inwonende dienstbode werkzaam te zijn bij [naam werkgever].

2.4

Verzoekster was vanaf februari 2014 werkzaam bij Tatami Sushi Bar.

2.5

Verzoekster werkt sinds 20 februari 2017 bij Pampas Argentine Steakhouse VBA h.o.d.n. Dragonfly Restaurant & Lounge (hierna: Dragonfly).

2.6

Op 20 oktober 2018 is verzoekster door de afdeling Vreemdelingentoezicht wederom werkend aangetroffen bij Dragonfly .

2.7

Bij bevelschrift, gedateerd 21 oktober 2018, heeft verweerder de verwijdering van verzoekster bevolen.

2.8

Bij bevelschrift, gedateerd 21 oktober 2018, heeft verweerder de inbewaringstelling van verzoekster bevolen.

2.9

Op 31 oktober 2018 is aan verzoekster een meldingsplicht met een werkverbod afgegeven.

De standpunten van partijen

3.1

Verweerder heeft aan het bevel tot verwijdering ten grondslag gelegd dat verzoekster op 20 oktober 2018 door medewerkers van de afdeling Vreemdelingentoezicht al werkende werd aangetroffen zonder in het bezit te zijn van een daarvoor geldige verblijfstitel. Na onderzoek is gebleken dat de geldigheidsduur van de laatste vergunning tot tijdelijk verblijf van verzoeker op 26 augustus 2017 is verstreken. Verzoekster heeft overigens in strijd met de aan haar afgegeven vergunningen tot tijdelijk verblijf niet bij [naam werkgever] als inwonende dienstbode gewerkt.

3.2

Verzoekster stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat zij doende is een tweede aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf in te dienen om bij Dragonfly werkzaam te zijn. Zij heeft voor 21 november 2018 een afspraak bij de Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS). Een eerdere aanvraag om bij Dragonfly werkzaam te zijn is afgewezen. Zij heeft daartegen bezwaar ingesteld en recentelijk is ook een beroepschrift ingediend.

Beoordeling

4.1

Het gerecht overweegt dat nu vaststaat dat verzoekster na het verlopen van de geldigheidsduur van de haar laatstelijk verleende vergunning tot tijdelijk verblijf alhier (werkend) is aangetroffen, zich de in artikel 19, eerste lid, onder b, van de Ltuv genoemde grond voor verwijdering voordoet.

4.2

Het gerecht ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot verwijdering. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een verwijderingsbevel is in het bijzonder van belang of legalisering van de illegale verblijfstoestand van betrokkene in het vooruitzicht ligt. Daarvan is naar voorlopig oordeel thans geen sprake. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3

Aan verzoekster is vanaf 26 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2017 een vergunning tot tijdelijk verblijf afgegeven om als inwonende dienstbode werkzaam te zijn bij [naam werkgever]. Uit een werkgeversverklaring van 31 maart 2015 blijkt dat verzoekster echter sinds februari 2014 werkzaam is bij Tatami Sushi Bar en uit een werkgeversverklaring van 26 oktober 2018 blijkt dat verzoekster sinds 20 februari 2017 werkzaam is bij Dragonfly.

Sinds 27 augustus 2017 heeft verzoekster geen legaal verblijf op Aruba. Haar eerste aanvraag om bij Dragonfly werkzaam te zijn is afgewezen. Zij is thans doende om een herhaald verzoek in te dienen. Naar het voorlopig oordeel van het gerecht is er in het geval van verzoekster, mede gelet op de laatste afwijzing en haar werkzaamheden in strijd met de aan haar afgegeven verblijfsvergunningen, geen legalisering van de illegale verblijfstoestand in het vooruitzicht.

4.4

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen grond bestaat tot schorsing van het bestreden bevelschrift. Het verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.