Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:88

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
GAZ 22/2018
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klaagster heeft rechtsmiddel tegen het uitblijven van een besluit onredelijk laat ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: GAZ 22/2018-SXM201800430

Datum: 19 november 2018

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(klaagster),

wonende in Sint Maarten,

klaagster,

gemachtigde: mr. M. Hart

en:

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN HET LAND SINT MAARTEN,

verweerder,

gemachtigden: mr. A.A. Kraaijeveld.

1 Aanduiding bestreden besluit

De fictieve weigering van verweerder om te beslissen op het verzoek van klaagster betreffende het vaststellen van haar rechtspositie bij het Korps Politie Sint Maarten (KPSM).

2 Het procesverloop

Klaagster heeft op 11 april 2018 een bezwaarschrift ingediend op grond van de Regeling Ambtenarenrechtspraak. Op 5 juni 2018 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

De mondelinge behandeling van het bezwaar heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018, waarbij klaagster is verschenen bij gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Feiten

De volgende feiten staan vast.

- Bij Landsbesluit van 26 januari 2012 hebben de Gouverneur en de Minister van Justitie klaagster met ingang van 1 juli 2011 voor de duur van de basisopleiding benoemd tot aspirant agent van politie in tijdelijke dienst bij het Korps Politie Sint Maarten (KPSM).

- De Minister van Justitie heeft klaagster met ingang van 27 februari 2012 geschorst.

- Bij brief van 1 maart 2012 heeft de Minister van Justitie klaagster met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en aan haar de toegang ontzegd tot de politie-dienstgebouwen en –terreinen, gebaseerd op de artikelen 96 en 109, tweede lid van het Besluit Rechtspositie korps Politie Nederlandse Antillen (hierna: het rechtspositiebesluit).

- Bij brief van 20 december 2012 heeft de Minister van Justitie klaagster in kennis gesteld van zijn voornemen haar te ontslaan. Klaagster wordt in deze brief in de gelegenheid gesteld om binnen zeven dagen te reageren.

- Bij brief van 9 januari 2013 heeft klaagster haar reactie gestuurd aan de Minister van Justitie.

- Bij brief van 17 december 2013 heeft de Minister van Justitie andermaal zijn voornemen tot ontslag aan klaagster bekend gemaakt. Aan klaagster wordt andermaal zeven dagen gegeven om te reageren.

- Op 15 januari 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Verweerder noch de Gouverneur hebben nooit een ontslagbesluit genomen.

4 Beoordeling

4.1

Verweerder heeft primair betoogd dat het Gerecht niet bevoegd is, omdat klaagster geen ambtenaar is. De duur van haar tijdelijke benoeming is immers afgelopen in 2013. Hiermee is haar benoeming van rechtswege geëindigd, aldus verweerder.

4.2

Klaagster betoogt dat haar benoeming niet vanzelf is afgelopen. Zij wijst in dat verband op artikel 130 van het Besluit Rechtspositie Korps Nederlandse Antillen, waarin staat dat voor ontslag een besluit is vereist. Klaagster heeft echter nooit een ontslagbesluit gekregen.

4.3

Het Gerecht overweegt dat, ingevolge artikel 35 van het Regeling Ambtenarenrechtspraak (Rar), voor zover hier relevant, een bezwaarschrift kan worden ingediend ter zake dat een administratief orgaan weigert om te beschikken ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. In dit geval staat vast dat klaagster op 26 januari 2012, mede op basis van het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen is benoemd tot aspirant agent. Het onderhavige geschil betreft de rechtspositie van klaagster naar aanleiding van de jegens haar in die positie van aspirant agent genomen besluiten, te weten de schorsing, toegangsontzegging en voornemens tot ontslag. Ook het thans bestreden besluit, te weten het achterwege blijven van een besluit over de rechtspositie van klaagster, vloeit hier uit voort. Gelet hierop is sprake van een weigering te beschikken ten aanzien van een ambtenaar als zodanig. Het Gerecht is daarom bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.4

Verweerder heeft voorts betoogd dat het bezwaar onredelijk laat is ingediend, aangezien de handelingen waarover klaagster klaagt dateren uit 2012 en 2013. Het thans ingediende bezwaarschrift is daarom buiten de redelijke termijn ingediend.

4.5

Het Gerecht stelt als eerste vast dat de bepalingen over het opkomen tegen niet tijdig genomen besluiten, ook betrekking hebben op besluiten die niet op aanvraag worden genomen. Ook het uitblijven van een ambtshalve te nemen besluit, is dus een besluit waartegen op grond van het aangehaalde artikel 35 van de Rar, kan worden opgekomen. Dat is in dit geval van belang, omdat het gaat om het uitblijven van een niet door klaagster gevraagd besluit, namelijk een mogelijk ontslagbesluit.

4.6

De vraag is nu of klaagster tijdig is opgekomen tegen het uitblijven van een besluit. Het Gerecht stelt bij beantwoording van deze vraag voorop dat er geen algemeen geldende termijn bestaat waarbinnen moet worden opgekomen tegen het uitblijven van een besluit. Wel geldt de regel dat het rechtsmiddel tegen het uitblijven van een besluit niet onredelijk laat mag zijn ingediend. De ratio daar achter is dat de rechtszekerheid in het maatschappelijk verkeer vergt dat besluiten in rechte komen vast te staan. Dit geldt ook voor het uitblijven van een besluit dat immers als een besluit moet worden gekwalificeerd. Of sprake is van een onredelijk laat ingediend rechtsmiddel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.7

Zoals uit het feitenoverzicht blijkt, is de hoorzitting op 15 januari 2014 de laatst bekende procedurestap geweest in de procedure over het ontslag van klaagster. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierna “keer op keer” zoals zij stelt, met verweerder contact heeft gehad over de afhandeling van de procedure omtrent haar ontslag. De brief van de gemachtigde van klaagster van 23 januari 2014 gaat in hoofdzaak over de verkrijging van een SZV-kaart. Voor zover deze brief al als een contact over haar ontslagprocedure zou kunnen gelden, stelt het Gerecht vast dat ook niet is gebleken dat klaagster hierna nog met verweerder contact heeft gehad. Ook nadat klaagster, in februari 2014, is bevallen en daarmee, naar haar eigen zeggen, de ontslagbescherming is weggevallen, is een besluit van verweerder uitgebleven. Niettemin was ook dit voor klaagster klaarblijkelijk geen reden om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het uitblijven van een besluit. Niet is gebleken dat er op enig moment van de zijde van verweerder een signaal is gekomen op grond waarvan klaagster mocht verwachten dat er binnen afzienbare tijd nog een besluit over het ontslag zou volgen. Door vervolgens nog tot 11 april 2018 te wachten alvorens een bezwaarschrift in te dienen bij het Gerecht, heeft klaagster naar het oordeel van het Gerecht onredelijk lang gewacht met het instellen van dit rechtsmiddel.

4.8

De stelling van klaagster dat zij pas in oktober 2017 een bewijs van recht op kosteloze rechtsbijstand heeft gekregen en daarom niet eerder een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit, kan niet afdoen aan het oordeel dat het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend. In de eerste plaats blijkt niet vanaf wanneer klaagster heeft getracht dit bewijs te krijgen, het Gerecht stelt bovendien vast dat klaagster hierna nog ruim vijf maanden heeft gewacht alvorens een bezwaarschrift bij het Gerecht in te dienen.

5 Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 november 2018.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.