Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:87

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
GAZ 17/2018
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen op verzoek van klaagster. Ten behoeve van de door verweerder te nemen beslissing geeft het gerecht mee dat de inhoud van de gewijzigde Lbham als beleid van verweerder dient te worden gekwalificeerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM201800313-GAZ 17/2018

Datum: 19 november 2018

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(a)

wonende te Sint Maarten,

klaagster,

gemachtigde: dhr. L.C.J. Lewis

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. KRAAIJEVELD,

1 Aanduiding bestreden besluit

De fictieve weigering van verweerder te beslissen op het verzoek van klaagster, verwoord in haar brief van 9 februari 2018 betreffende bevordering tot Senior Medewerker Basis Politie Zorg in de rang van Hoofdagent van politie.

2 Het procesverloop

Op 22 maart 2018 heeft klaagster ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een bezwaarschrift (met producties) ingediend.

Op 6 juni 2018 heeft verweerder een contra- memorie met producties ingediend.

Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Feiten en standpunten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Klaagster, geboren op (datum) te (geboorteplaats), is met ingang van 1 november 2003 voor de duur van de basisopleiding benoemd bij het Korps Politie Nederlandse Antillen in de functie van aspirant agent ingeschaald in schaal 4P trede 1.

- Bij Landsbesluit van 28 september 2005 is klaagster per 1 juni 2005, voor een proeftijd van één jaar, aangesteld in de functie van Medewerker basis Politie Zorg bij het KPSSS in de rang van agent van politie, in schaal 5P, trede 1.

- Bij Landsbesluit van 11 december 2008 is klaagster per 1 juni 2008 bevorderd in de functie van Medewerker Basis Politie Zorg bij KPSSS in de rang van brigadier van politie, in schaal 6P, trede 1.

- Met het oog op de overgang naar het land Sint Maarten als de nieuwe bestuursorganisatie kreeg klaagster bij brief van 20 september 2010 een nieuwe plaatsing aangeboden. Dit betrof de functie van ‘medewerker basis politie zorg’ bij de Korps Politie Sint Maarten (KPSM) met als schaal 6, bezoldigingstrede 3.

- Bij brief van 3 augustus 2017 heeft klaagster zich tot verweerder gewend met het verzoek haar rechtspositie recht te trekken in een besluit, aldus dat zij wordt benoemd in de functie van Brigadier 1ste klasse met retroactief uitbetaling per 1 juni 2013 in schaal 7 en eveneens haar te bevorderen in de functie van Senior Medewerker Basis Politie Zorg in de rang van Hoofdagent met retroactief uitbetaling per 1 mei 2015 in schaal 8.

- Bij brief van 6 december 2017 heeft klaagster haar verzoek aan verweerder herhaald.

- Bij Landsbesluit van 18 mei 2017 is klaagster bevorderd tot Brigadier 1ste klasse conform schaal 7p trede 1 met ingang van 1 juni 2013.

- Bij brief van 9 februari 2018 heeft klaagster zich tot verweerder gewend met het verzoek haar te bevorderen tot Senior Medewerker Basis Politie Zorg met de rang hoofdagent.

- Verweerder heeft tot op heden geen gevolg gegeven aan het verzoek van klaagster.

3.2

In het bezwaarschrift verzoekt klaagster –kortweg- te bepalen dat verweerder

binnen een maand na datum van de uitspraak een besluit neemt op haar verzoek.

Het bezwaar ziet volgens de toelichting van klaagster op het uitblijven van een beslissing op haar verzoek tot bevordering naar de rang van hoofdagent per 1 mei 2015.

3.3

Klaagster voert, samengevat, aan dat zij sinds 1 mei 2015 tot en met september 2016 fungeerde als Senior Medewerker Basis Politie Zorg, direct onder een inspecteur van politie. Deze functie is gekoppeld aan de rang van hoofdagent. Daarnaast trad zij op als mentor voor de aspirant-agenten van politie. Ook stelt klaagster dat collega’s die na haar in dienst zijn getreden wel zijn bevorderd. Klaagster meent dat zij hierdoor discriminatoir wordt behandeld en heeft daarom, mede gelet op haar opgebouwde ervaring binnen het Korps, verschillende verzoeken aan verweerder gericht. Klaagster wijst op het Rechtspositiebesluit KPNA 2000, zoals gewijzigd, waaruit volgt dat een ambtenaar die vijf jaar brigadier is geweest, bij een voldoende beoordeling, wordt bevorderd tot de rang van brigadier eerste klasse, en dat een ambtenaar die zeven jaar brigadier eerste klasse is geweest, bij een voldoende beoordeling, wordt bevorderd tot de rang van hoofdagent. Zij wijst er op dat er tot en met de rang van inspecteur sprake is van automatische bevordering, volgens het beleid van verweerder. Tegenover de ontkenning van verweerder dat klaagster als hoofdagent heeft gewerkt, stelt zij een getuigenverklaring van een inspecteur en een getuigenverklaring van een hoofdagent, beide van het Multi Disciplinair Team waar klaagster ook heeft gewerkt. In deze verklaringen wordt bevestigd dat klaagster als waarnemend teamleider heeft gewerkt.

3.4

Verweerder ontkent dat klaagster in functies met de rang van hoofdagent heeft gewerkt. Klaagster heeft wel op functies met de rang van hoofdagent gesolliciteerd waarbij zij niet de meeste geschikte kandidaat is gebleken. Van een automatische bevordering kan alleen sprake zijn indien een politieambtenaar succesvol solliciteert nadat er een vacature is opengesteld. Van een ongelijke behandeling op grond van het vorenstaande is er dus geen sprake. Verweerders gemachtigde gaat daarbij uit van de versie van het Rechtspositiebesluit zoals dat op de website www.overheid.nl staat weergegeven.

4 Beoordeling

4.1

Het gerecht stelt voorop dat het in deze zaak gaat om de vraag of verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen op een verzoek van klaagster.

4.2

Artikel 41, eerste lid van de Rar bepaalt dat het bezwaarschrift wordt ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Van een weigering door een administratief orgaan om te handelen of te beschikken of te beschikken kan eerst sprake zijn, indien een aanvraag tot handelen of beschikken is gericht tot het betreffende bestuursorgaan. In dit geval heeft klaagster 3 augustus 2017 gevraagd om haar rechtspositie recht te trekken, naar brigadier eerste klasse en vervolgens naar hoofdagent. Zij heeft dit verzoek herhaald in december 2017. In mei 2018 heeft zij een Landsbesluit gekregen waarin zij tot brigadier eerste klasse is benoemd. Een beslissing op haar, ook al in de brief van 3 augustus 2017 vervatte verzoek om haar per 1 mei 2015 tot hoofdagent te benoemen, is uitgebleven. Bij brief van 9 februari 2018 heeft klaagster haar verzoek nogmaals herhaald. Het gerecht stelt vast dat tussen het eerste verzoek van klaagster en de indiening van het bezwaarschrift bij het gerecht ongeveer zeveneneenhalve maand zijn verstreken.

4.3

Voor de beslissing op een verzoek zoals dat van klaagster, geldt geen wettelijke beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen een redelijke termijn op dit verzoek moet beslissen. Naar het oordeel van het gerecht was op 22 maart 2018, toen klaagster haar bezwaarschrift bij het gerecht indiende, een redelijke beslistermijn verstreken.

4.4

Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat er sprake is van een bezwaarschrift ingediend door belanghebbende tegen de weigering om te beschikken of handelen als bedoeld in de Rar dat gegrond moet worden verklaard. Verweerder moet alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking geven. Het Gerecht ziet aanleiding verweerder een termijn van vier weken te geven om alsnog op het verzoek van klaagster te beslissen.

4.5

Het gerecht ziet aanleiding om in deze zaak nog een overweging te geven ten behoeve van de door verweerder te nemen beslissing. Aanleiding voor deze overweging is dat partijen het ter zitting niet eens waren over de toepasselijke regelgeving. In dat verband overweegt het gerecht het volgende.

4.6

Er is een Landsbesluit, houdende algemene maatregelen (LBham) van 7 augustus 2000 ter uitvoering van artikel 16 van de Politieregeling 1999. Dit besluit wordt veelal aangeduid als het “Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen”.

4.7

Artikel 15, vijfde lid, van dit Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen, luidt als volgt:

“5.De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die vijf jaren is bekleed met rang van agent, wordt bevorderd tot de rang van brigadier, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.”

4.8

Voorts is er een LBham waarin een aantal artikelen van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen wordt gewijzigd. De datum van dit Landsbesluit is niet duidelijk, zij het dat deze wel ligt vóór 10 oktober 2010. Dit LBham is niet gepubliceerd en niet inwerking getreden. Over dit LBham heeft een gemachtigde van verweerder op meerdere zittingen (zoals op de zitting van 20 augustus 2018, in de zaak met nummer SXM201800184), maar niet in de onderhavige zaak, verklaard dat na een strijd tussen de vakbond en het Korps Politie, in 2005 overeenstemming is bereikt over het gewijzigde artikel 15 van dit besluit, waarbij ook is bepaald dat het een terugwerkende kracht krijgt tot 2000. Voorts is over dit besluit verklaard dat het niet in werking is getreden, maar dat er wel mee wordt gewerkt, er is sprake van een bestendige praktijk van toepassing van (artikel 15 van) dit besluit. Een kopie van het besluit is op de zitting van 20 augustus 2018 overgelegd.

4.9

In dit LBham is (onder meer) artikel 15 gewijzigd, aldus dat het vijfde lid vervalt en na het vierde lid elf nieuwe leden worden ingevoegd, luidende als volgt:

“5. De aspirant, die het Politiediploma I heeft behaald en een jaar praktijkervaring heeft opgedaan, wordt gerekend vanaf de dag, waarop hij zijn diploma heeft behaald, bevorderd tot de rang van agent, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

6. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die het Politiediploma II heeft behaald en drie jaren is bekleed met de rang van agent dan wel een elders met het Politiediploma II gelijk gestelde politiediploma heeft behaald en ten minste vier jaren als politieambtenaar werkzaam was geweest, wordt bevorderd tot de rang van brigadier, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

7. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die vijf jaren is bekleed met de rang van brigadier , wordt bevorderd tot de rang van brigadier eerste klasse, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

8. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die het Politiediploma III heeft behaald en zeven jaren is bekleed met de rang van brigadier eerste klasse, wordt bevorderd tot de rang van hoofdagent, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

9. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die het Politiediploma IV heeft behaald en vijf jaren is bekleed met de rang van hoofdagent, wordt bevorderd tot de rang van brigadier in schaal 9, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

10. Voor aanstelling, plaatsing of bevordering ineen functie waaraan de rang van inspecteur in schaal 10 of hoger verbonden is, dient de ambtenaar van politie belast met de uitvoering van de politietaak onverminderd de overige eisen die aan de betrokken functie gesteld worden, tenminste in het bezit te zijn van de Politiediploma IV, Politiediploma V dan wel een door de minister aangewezen academische opleiding tot leidinggevende bij de politie.

11. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de Elementaire Opleiding Grensbewaking heeft behaald, wordt bevorderd tot schaal 5, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

12. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de Elementaire Opleiding Grensbewaking heeft behaald en twee jaren als zodanig werkzaam is geweest, wordt bevorderd tot schaal 6, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25.

13. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de Elementaire Opleiding Grensbewaking heeft behaald en zes jaren als zodanig werkzaam is geweest, wordt bevorderd tot schaal 7, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25 en de eindrang van de functie, die door betrokkene wordt bekleed nog niet is bereikt.

14. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de Kaderopleiding Grensbewaking heeft behaald en acht jaren als medewerker grensbewaking werkzaam is geweest, kan bevorderd worden tot schaal 8, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25 en er een vacature is.

15. De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de Kaderopleiding Grensbewaking heeft behaald en ten minste drie jaren als teambegeleider grensbewaking werkzaam is geweest, kan bevorderd worden tot schaal 9, mits de wijze waarop hij zijn functie uitoefent als voldoende is beoordeeld overeenkomstig artikel 25 en er een vacature is.”

4.10

Volledigheidshalve maakt het gerecht nog melding van een LBham, “houdende regels over de rechtspositie van ambtenaren van politie van het Korps Politie Sint Maarten, AB 2011, GT, no. 1”. Het gerecht ziet aanleiding om dit LBham buiten beschouwing te laten. Daarbij is van belang dat deze regeling niet inwerking is getreden bij gebrek aan een inwerkingstredingsbesluit, dat een met artikel 15 uit het gewijzigde LBham, zoals hierboven weergegeven, vergelijkbare bepaling ontbreekt en dat het een fout bevat: in artikel 31, vijfde lid, staat een bepaling over bevordering naar de rang van brigadier na 5 jaar hoofdagent te zijn geweest. Daarmee wordt de rang van brigadier hoger beschouwd dan die hoofdagent, hetgeen zowel in de bestaande regeling als in artikel 3 van dit LBham, andersom is.

4.11

Nu de wijzigingen op het “Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen” nooit als zodanig in werking is getreden, maar er wel sprake is van een bestendige toepassing van, in elk geval, artikel 15 daarvan, oordeelt het gerecht dat de inhoud van dit gewijzigde LBham als beleid van verweerder moet worden gekwalificeerd.

4.12

Het Gerecht acht termen aanwezig om te bepalen dat het land Sint Maarten aan klaagster een bedrag betaalt als vergoeding van door klaagster gemaakte proceskosten. Deze worden naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht bepaalt op NAf 1.400,--, zijnde 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling.

5 Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

5.1

verklaart het bezwaar gegrond;

5.2

draagt verweerder op binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak te beslissen op voormeld verzoek van klaagster;

5.3

veroordeelt het Land Sint Maarten tot vergoeding aan klaagster van een bedrag van NAf. 1.400,-- voor de kosten van deze procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 november 2018.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.