Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:85

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
AUA201703376
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het gerecht is er voldoende grondslag voor de conclusie dat sprake is van plichtsverzuim. Het gerecht acht het echter niet aannemelijk dat slordigheid in een zo groot aantal gevallen de verklaring voor de onjuistheden kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 5 november 2018

Gaza nr. AUA201703376

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1. PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 27 oktober 2017 no. 19 (bestreden landsbesluit), is aan klaagster met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, in samenhang met het vierde lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met dien verstande dat de straf van disciplinair ontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander plichtsverzuim (voorwaardelijk strafontslag).

Daartegen heeft klaagster op 7 december 2017 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 3 augustus 2018 een contramemorie ingediend bij het gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 augustus 2018, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De rechter heeft het onderzoek geschorst.

Op 19 september 2018 heeft klaagster nadere stukken ingediend.

Het onderzoek is hervat ter zitting van 24 september 2018, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

1.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

1.2

Het gerecht stelt vast dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 41, eerste lid, van de La. Klaagster heeft de bestreden beschikking echter op 8 november 2017 ontvangen en op 7 december 2017 bezwaar gemaakt. Gezien het derde lid van genoemd artikel is het bezwaar ontvankelijk.

De feiten

2.1

Klaagster is per 1 juli 1991 benoemd bij de Directie Belastingen. Vanaf 1 december 2004 bekleedde zij bij de Servicio di Impuesta y Aduana de functie van chef deurwaarder. Per 1 juli 2012 is klaagster overgeplaatst naar het Openbaar Ministerie, waar zij haar werkzaamheden als deurwaarder heeft voortgezet.

2.2

Op 23 november 2016 heeft de Procureur-Generaal van Aruba met klaagster een gesprek gevoerd naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van een intern onderzoek. Bij besluit van gelijke datum is aan klaagster voor de duur van zes weken de toegang ontzegd in verband met vermoede onregelmatigheden in de werkzaamheden van klaagster als deurwaarder voor het Openbaar Ministerie. Bij besluit van 3 januari 2017 heeft de Procureur-Generaal de toegangsontzegging met zes weken verlengd.

2.3

Bij landsbesluit van 7 februari 2017 heeft verweerder klaagster in haar ambt geschorst met ingang van 8 februari 2017.

2.4

In een brief van 5 mei 2017 aan klaagster heeft verweerder gesteld uit ambtsberichten van de Procureur-Generaal te hebben vernomen dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. In de brief wordt toegelicht waaruit het plichtsverzuim zou blijken. Klaagster wordt in de gelegenheid gesteld binnen zeven dagen na ontvangst van de brief een verantwoording te geven.

2.5

Bij brief van 12 juni 2017 heeft klaagster zich verantwoord.

2.6

In het bestreden landsbesluit van 27 oktober 2017 geeft verweerder een opsomming van hetgeen klaagster wordt tegengeworpen en gaat verweerder in op hetgeen klaagster in de verantwoording heeft aangevoerd. Verweerder concludeert dat klaagster tekort is geschoten in haar verantwoordelijkheid en de verplichtingen in haar functie, dat de gedragingen van klaagster worden aangemerkt als onachtzaam en onverantwoordelijk, dat klaagster niet heeft gehandeld zoals een goed ambtenaar betaamt, dat de functie van klaagster een bijzondere verantwoordelijkheid met zich brengt en dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.

De cautie

3.1

Klaagster heeft aangevoerd dat de Procureur-Generaal, door klaagster op 23 november 2016 (zie 2.2) de cautie heeft gegeven, een onherstelbaar vormverzuim heeft begaan door een zwaar opsporingsmiddel te gebruiken in een ambtelijk disciplinair onderzoek zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag is.

3.2

Het gerecht overweegt dat disciplinaire strafoplegging wegens plichtsverzuim geen strafvervolging is (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9676). Om die reden is in het kader van een dergelijke disciplinaire procedure het geven van de cautie niet noodzakelijk. Dat in dit geval de cautie wel is gegeven, om welke reden dan ook, heeft in deze procedure echter niet tot gevolg gehad dat klaagster in haar belangen is geschaad. Het bieden van niet-voorgeschreven rechtsbescherming kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

Het wettelijk kader

4.1

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

4.2

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegd gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten.

4.2

In artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Lma is bepaald dat een van de disciplinaire straffen die kan worden toegepast, ontslag is. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat een straf voorwaardelijk opgelegd kan worden.

De beoordeling

5.1

Aan de orde is in de eerste plaats of klaagster zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

5.2

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan (vgl. CRvB 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997).

5.3

Het gerecht overweegt dat verweerder, onder meer in de brief van 5 mei 2017 (2.4) en in het bestreden landbesluit (2.6), zeer uitvoerig heeft uiteengezet waaruit het plichtsverzuim zou bestaan. Klaagster heeft daarentegen, in de brief van 12 juni 2017 (2.5) en in verschillende stukken in de onderhavige procedure, op alle aantijgingen gereageerd en gemotiveerd haar visie gegeven. In de contra-memorie heeft verweerder de nadruk gelegd op drie gevallen.

5.4

Een van de drie genoemde gevallen betreft de gestelde betekening door klaagster van aktes terwijl zij op dat moment op kantoor was. Dit zou zich tweemaal hebben voorgedaan, te weten op 31 oktober 2015 om 11.25 uur en op 28 oktober 2016 om 9:45 uur. Klaagster bestrijdt niet dat zij op die tijdstippen op kantoor was.

5.4.1

De gestelde betekening op 31 oktober 2015 om 11.25 uur betrof een akte van uitreiking bestemd voor [persoon 1].

Klaagster heeft opgemerkt dat een afschrift van deze akte niet eerder aan de stukken is toegevoegd dan bij de contra-memorie en dat dit daarom buiten beschouwing dient te blijven. Het gerecht deelt deze opvatting niet. Eerder had verweerder al melding gemaakt van deze kwestie. Na het overleggen bij de contra-memorie, heeft klaagster voldoende gelegenheid gehad hierop te reageren.

Klaagster heeft aangevoerd dat het om een slordigheid gaat en niet om een frauduleuze handeling. Het gerecht acht dit echter geen afdoende verklaring. Niet is duidelijk geworden welke handeling klaagster heeft verricht die een declaratie rechtvaardigde.

5.4.2

De gestelde betekening op 28 oktober 2016 om 9:45 uur betrof een akte van uitreiking bestemd voor [persoon 2]. In de brief van 12 juni 2017 (2.5) heeft klaagster gesteld dat zij inderdaad per abuis op die dag en dat tijdstip de akte op kantoor heeft opgemaakt en diezelfde dag per post heeft verstuurd, maar dat zij met deze dagvaarding reeds op 27 oktober 2016 omstreeks 17:20 uur bij twee mogelijke adressen van [persoon 2] langs was geweest. De onjuiste datering is een fout, maar betreft geen boze opzet met het doel om zichzelf te verrijken.

Het gerecht overweegt dat ook hiervoor geldt dat niet duidelijk is geworden welke handeling klaagster heeft verricht die een declaratie rechtvaardigde. Voorts acht het gerecht van belang dat blijkens twee aparte aktes van uitreiking gedateerd op 14 november 2016 om 17:20 uur en op 14 november 2016 om 17:30 uur klaagster twee maal kort achter elkaar heeft getracht tot uitreiking aan [persoon 2] over te gaan op een ander adres dan het adres genoemd in de akte van 28 oktober 2016. Klaagster heeft hiervoor geen afdoende verklaring gegeven.

5.4.3

Naar het oordeel van het gerecht biedt het voorgaande voldoende grondslag voor de conclusie dat sprake is van plichtsverzuim. Dat verscheidene van de bovengenoemde aktes wel zijn getekend door de officier van justitie voor overdracht en afhandeling, doet hier niet aan af. Een eventueel gebrek aan controle doet op zichzelf niet af aan de ernst van een geconstateerd plichtsverzuim (vgl. CRvB 29 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1633).

5.5

Het gerecht overweegt voorts dat verweerder weliswaar heeft gesteld dat zich een groot aantal andere gevallen heeft voorgedaan waarin klaagster fraude zou hebben gepleegd, maar dat verweerder er desondanks niet in is geslaagd, na weerwoord van klaagster, om duidelijk uit te leggen waarom die conclusie onontkoombaar is. De motivering van verweerder voor andere gevallen dan besproken onder 5.4, schiet dus tekort.

Het weerwoord van klaagster bestaat daarentegen in de meeste gevallen daaruit dat geen sprake is van frauduleus handelen, maar van slordigheid van haar kant. Het gerecht acht het echter niet aannemelijk dat slordigheid in een zo groot aantal gevallen de verklaring voor de onjuistheden kan zijn.

5.6

Het gerecht oordeelt daarom dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

6.1

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag evenredig is.

6.2

Naar het oordeel van het gerecht is de ernst van het plichtsverzuim zodanig dat dit het opleggen van de gekozen straf rechtvaardigt. Voor het correcte verloop van een strafrechtelijke procedure is het van essentieel belang dat uitgegaan kan worden van de juistheid van aktes opgemaakt door een deurwaarder werkzaam voor het Openbaar Ministerie.

7. Gelet op het voorgaande is het bezwaar van klaagster ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen gronden aanwezig.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 5 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.