Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:71

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
GAZ Cur201801039
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag. Artikel 99, tweede lid, LMA. Tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Mededeling tot opzegging niet door het bevoegde gezag gedaan, maar het had voor klaagster duidelijk moeten zijn dat zij niet kon rekenen op verlenging van haar

aanstelling. Bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Ambtenarenzaken over 2018

uitspraakdatum: 13 september 2018

zaaknummer: GAZ Cur201801039

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende in Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij verweerster.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij bezwaarschrift dat op 6 april 2018 ter griffie van het Gerecht is ingediend heeft klaagster bezwaar ingesteld tegen het Landsbesluit van verweerster van 8 maart 2018 (het bestreden besluit), waarin als beslissing is vermeld dat het tijdelijke dienstverband van klaagster per 1 januari 2018 wordt opgezegd en haar met ingang van 1 april 2018 eervol ontslag wordt verleend. Klaagster heeft connex aan dat bezwaar een verzoek om voorziening bij voorraad ingediend bij het Gerecht.

1.2.

Het Gerecht heeft het bezwaar ter zitting van 30 juli 2018 behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Namens verweerster zijn verschenen de gemachtigde voornoemd en C. de Witt-Hamer (jurist bij het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport). Ter zitting heeft klaagster het verzoek om voorziening bij voorraad ingetrokken.

2 Beoordeling

2.1.

Klaagster is met ingang van 1 augustus 2014 voor onbepaalde tijd aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst in de functie van docent in het Funderend Onderwijs. Voor het einde van ieder schooljaar deelde verweerster aan klaagster mee of het dienstverband ook voor het daarna volgend schooljaar zou worden verlengd. Bij brief van 18 mei 2017 heeft het wnd. diensthoofd van Dienst Openbare Scholen (DOS) aan klaagster meegedeeld dat haar aanstelling zou worden beëindigd met ingang van 1 augustus 2017. Verweerster heeft klaagster vrijgesteld van de uitvoering van haar werkzaamheden, zodat zij vanaf 7 juni 2017 niet meer heeft gewerkt. Bij brief van 24 november 2017 heeft het wnd. diensthoofd van DOS nogmaals aan klaagster meegedeeld dat haar aanstelling niet zou worden verlengd. Doordat het loon van klaagster met ingang van 1 augustus 2017 niet meer is uitbetaald, heeft zij bij het Gerecht een verzoek om voorziening bij voorraad ingediend strekkende tot doorbetaling van loon. Bij de behandeling van dat verzoek heeft klaagster ingestemd met loondoorbetaling tot en met december 2017 en heeft zij het verzoek om voorziening bij voorraad ingetrokken. Verweerster heeft het loon doorbetaald tot en met 31 maart 2018. Op 5 april 2018 heeft klaagster het bestreden besluit ontvangen.

2.2.

Het bezwaar van klaagster komt erop neer dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat verweerster haar zonder een geldige reden en motivering heeft ontslagen en zonder daarbij rekening te houden met de opzeggingstermijn vastgelegd in artikel 99 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA).

2.3.

Ingevolge artikel 99 lid 2, aanhef en onder a, van de LMA kan aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die voor onbepaalde tijd is benoemd eervol ontslag worden verleend mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van drie maanden ingeval de betrokkene bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk ten minste twaalf maanden onafgebroken in dienst was.

2.4.

Niet in geschil is dat in dit geval een opzeggingstermijn van drie maanden gold. Evenmin in geschil is dat het voor klaagster al gelet op de brief van DOS van 18 mei 2017 kenbaar was dat haar aanstelling niet zou worden verlengd na

1 augustus 2017. Hoewel die mededeling niet door het bevoegde gezag is gedaan, heeft verweerster daar al bij de behandeling van de voorlopige voorziening geen afstand van genomen en had het op grond daarvan voor klaagster duidelijk moeten zijn dat zij niet kon rekenen op verlenging van haar aanstelling voor het schooljaar 2017/2018. Verder geldt dat klaagster in het kader van die procedure heeft ingestemd met betaling van haar loon tot en met december 2017. Uiteindelijk heeft verweerster met inachtneming van voormelde opzeggingstermijn van drie maanden het loon van klaagster tot en met maart 2018 doorbetaald. Dat, terwijl klaagster al vanaf begin juni 2017 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor verweerster. Onder deze omstandigheden leidt het feit dat het ontslagbesluit aan klaagster is uitgereikt na de ingangsdatum van de opzegging en het ontslag naar het oordeel van het Gerecht niet tot nietigheid van dat besluit.

2.5.

Uit artikel 99 lid 2, aanhef en onder a, van de LMA blijkt niet dat voorwaarden zijn verbonden aan de opzegging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Daaruit volgt dat verweerster zonder enige motivering tot opzegging mocht overgaan. De omstandigheid dat verweerster in dit geval tot opzegging en ontslag is overgegaan naar aanleiding van door haar gestelde feiten die in het kader van deze procedure niet aannemelijk zijn geworden, kan daarom niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.

2.6.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen klaagster voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

2.7.

Voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerster bestaat geen grond.

3 Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het

openbaar uitgesproken op 13 september 2018 in tegenwoordigheid van

mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAR.