Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:69

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
AUA201802593 en AUA201802594
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de beschikking slechts worden afgeleid dat aan verzoeker een keuze werd gegeven: óf (eerste optie) hij diende zijn werkzaamheden te hervatten óf (tweede optie) hij diende schriftelijk bewijs van zijn tewerkstelling als fractiemedewerker over te leggen. Uit de keuze van verzoeker voor de tweede optie, volgt dat verweerders gezien de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet konden komen tot de bestreden beschikkingen. Een burger dient erop te kunnen vertrouwen dat de overheid een toezegging gestand doet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de bestreden beschikkingen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Redelijkerwijs kan betwijfeld worden of de bestreden beschikkingen in de bodemprocedures in stand zullen blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de bestreden beschikkingen te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 24 september 2018

AUA201802593

AUA201802594

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op de verzoeken tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Verzoeker],

wonend in Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

gericht tegen:

de Minister van Algemene Zaken, Integriteit, Overheidszorg, Innovatie en Energie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER 1 (AUA201802593),

en tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER 2 (AUA201802594),

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

AUA201802593

Bij beschikking van 16 juli 2018 (hierna: de bestreden beschikking 1) heeft verweerder 1 aan verzoeker bericht dat, omdat hij met ingang van 27 november 2017 zijn ambtelijke werkzaamheden had dienen te hervatten, zijn ontvangen bedrag aan overbruggingsuitkering wordt gecorrigeerd door verzoekers ambtelijke bezoldiging daarop in te houden.

Op 15 augustus 2018 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Tevens heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met een verzoek tot schorsing van de bestreden beschikking 1.

AUA201802593

Bij beschikking van 16 juli 2018 (hierna: de bestreden beschikking 2) heeft verweerder 2 aan verzoeker bericht dat hij zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen, zijn werkzaamheden bij het Cuerpo Especial Arubano (CEA) dient te hervatten, op straffe van ontslag en terugvordering van zijn bezoldiging.

Op 15 augustus 2018 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Tevens heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met een verzoek tot schorsing van de bestreden beschikking 2.

AUA201802593 en AUA201802594

De verzoeken zijn op 10 september 2018 in raadkamer behandeld, alwaar zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd en [naam gemachtigde].

De uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Voorziening bij voorraad

1. Ingevolge artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is. Voor honorering van het verzoek is in het algemeen grond, indien een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in de hoofdzaak niet in stand zal blijven.

2. Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

Feiten

3.1.

Verzoeker was van 2009 tot en met 25 oktober 2017 volksvertegenwoordiger in de Staten van Aruba.

3.2.

Vóór het bekleden van zijn politieke ambt was verzoeker ambtenaar en werkzaam gesteld bij het CEA. Verzoeker is conform artikel 2 van de Landsverordening voorzieningen gewezen politieke ambtsdragers en hun nabestaanden (Lvgpa) op 28 oktober 2017, zijnde de dag na zijn aftreden als Statenlid, van rechtswege in activiteit hersteld.

3.3.

Bij verzoek van 27 september 2017 heeft verzoeker verweerder verzocht om in aanmerking te komen voor bijzondere vrijstelling van dienst (BVVD) zonder behoud van inkomen voor de periode vanaf 1 november 2017 tot en met 31 oktober 2018.

3.4.

Bij beschikking van 6 maart 2018 heeft de Minister van Financiën en Overheidsorganisatie beslist op het verzoek van 27 september 2017. Hierin wordt verzoeker medegedeeld dat hij gezien artikel 2, tweede lid, van de Lvgpa recht heeft op BVVD gedurende dertig dagen, maar niet gedurende twaalf maanden. Om die reden wordt het verzoek afgewezen, met mededeling aan verzoeker dat hij met ingang van 28 oktober 2017 in activiteit diende te worden hersteld en dat hij met ingang van 27 november 2017 zijn werkzaamheden bij het CEO diende te hervatten.

3.4.1.

In de beschikking van 6 maart 2018 schrijft de Minister van Financiën en Overheidsorganisatie voorts:

‘Het hoofd van het Cuerpo Especial Arubano heeft medegedeeld dat hij geen bezwaren heeft om aan u voor de duur van één jaar BVVD z.b.v.i. te verlenen in verband met uw toekomstige functie als fractiemedewerker. U wordt verzocht schriftelijk bewijs aan het Departamento Recurso Humano te overleggen dat u als fractiemedewerker werkzaam bent, onder vermelding van de ingangs- en einddatum alsmede het salaris dat u als fractiemedewerker ontvangt. Dit laatste houdt verband met de overbruggingsuitkering die u als gewezen politiek ambtsdrager ontvangt.

Zoals reeds geconstateerd diende u met ingang van 27 november 2017 uw werkzaamheden bij het Cuerpo Especial Arubano te hervatten. Wellicht door het uitblijven van een beschikking op uw verzoek om BVVD zonder behoud van inkomen, heeft u echter uw werkzaamheden nog niet hervat.

U wordt hierbij gesommeerd om zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van deze aanmaning uw werkzaamheden bij het Cuerpo Especial Arubano te hervatten dan wel schriftelijk bewijs van uw tewerkstelling als fractiemedewerker aan het Departamento Recurso Humano te overleggen’.

3.4.2.

Tegen de beschikking van 6 maart 2018 heeft verzoeker geen rechtsmiddel ingesteld.

3.5.

Met een begeleidend schrijven, met dagtekening 29 maart 2018, heeft verzoeker aan de Minister van Financiën en Overheidsorganisatie een verklaring, met dagtekening 28 maart 2018, van de voorzitter van Stichting Fractiemedewerker AVP overgelegd. Hierin staat dat verzoeker geen betaald werk verricht bij deze stichting en dat verzoeker vanuit zijn partijlidmaatschap de fractie van de Arubaanse Volkspartij (AVP) bijstaat.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.1.

Zoals ter zitting is besproken, houdt partijen verdeeld hoe de passages hierboven opgenomen onder 3.4.1., dienen te worden opgevat. Verzoeker betoogt dat hij, door te voldoen aan de sommatie om een bewijs van tewerkstelling als fractiemedewerker over te leggen, erop kon vertrouwen dat tot 31 oktober 2018 sprake was van BVVD met overbruggingsuitkering. Verweerder stelt dat, hoewel de beschikking van 6 maart 2018 ongelukkig is geformuleerd, verzoeker geen BVVD gedurende een jaar heeft gekregen, dat hij dit volgens de wet ook niet kon krijgen en dat hij wist dat hij na dertig kalenderdagen zijn werkzaamheden bij het CEA diende te hervatten.

4.2.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de beschikking van 6 maart 2018 slechts worden afgeleid dat aan verzoeker een keuze werd gegeven: óf (eerste optie) hij diende zijn werkzaamheden te hervatten óf (tweede optie) hij diende schriftelijk bewijs van zijn tewerkstelling als fractiemedewerker over te leggen. Bij keuze voor het laatste, zou voor verzoeker gedurende een jaar BVVD gelden, met verrekening van zijn salaris als fractiemedewerker met de overbruggingsuitkering.

4.3.

Uit de keuze van verzoeker voor de tweede optie, volgt dat verweerders gezien de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet konden komen tot de bestreden beschikkingen. Een burger dient erop te kunnen vertrouwen dat de overheid een toezegging gestand doet. Dat de beschikking van 6 maart 2018, de bestreden beschikking 1 en de bestreden beschikking 2 door drie verschillende landelijke bestuursorganen zijn genomen, dient niet voor rekening en risico van verzoeker te komen en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Dit gebrek aan coördinatie valt verzoeker immers niet te verwijten.

4.4.

Aan het bovenstaande doet evenmin af dat de geboden tweede optie mogelijk een buitenwettelijke BVVD inhoudt. Voor de juridische status en de budgettaire gevolgen zijn de betrokken bestuursorganen verantwoordelijk.

4.5.

Ten slotte is ter zitting aan de orde gekomen dat het hoofd van het CEA niet de bevoegdheid heeft om te besluiten tot vrijstelling van dienst als hier aan de orde. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de beschikking van 6 maart 2018 slechts volgt dat het hoofd van de CEA tegen deze vrijstelling geen bezwaar had, niet dat hij hiertoe besloot of dat hij dit toezegde.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de bestreden beschikkingen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Redelijkerwijs kan betwijfeld worden of de bestreden beschikkingen in de bodemprocedures in stand zullen blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de bestreden beschikkingen te schorsen.

Proceskostenvergoeding

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in een voorzieningenprocedure als de onderhavige geen wettelijke grondslag.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

schorst de bestreden beschikkingen 1 en 2.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.