Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:59

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
SXM201800082
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, ambtenaar, wil de hem toegekende toelage ontvangen met ingang van een eerdere datum. Gerecht stelt vast dat eiser een functie heeft die overwerk met zich meebrengt. Een toelage bovenop zijn salaris is dan wel mogelijk, maar eiser kan geen recht daarop claimen.

Niet is gebleken dat eiser zó veel overwerk heeft verricht, dat verweerder hem al vanaf een eerder moment een toelage had moeten toekennen. Evenmin is gebleken van toezeggingen over de toelage aan eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM201800082- GAZ00004/2018

Datum: 30 juli 2018

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiser],

wonende in Sint Maarten,

klager,

gemachtigde: mr. D.C. Daal

en:

1 DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,

2. DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN VAN SINT MAARTEN,

verweerders,

gemachtigde: mr. C.M.P van Hees

1 Aanduiding bestreden besluit

Het Landsbesluit van 4 januari 2018 (nummer 17/0749) waarbij verweerders hebben besloten:

- aan klager een eenmalige gratificatie toe te kennen

- aan klager een toelage toe te kennen met ingang van 1 januari 2017 voor de duur van een jaar

- te laten registreren hoeveel klager overwerkt en

- de toelage mogelijk voort te zetten aan de hand van de geregistreerde overwerkuren,

en de beschikking van 8 januari 2018 (nummer 2017/1619) waarbij verweerder onder 2 heeft besloten het bezwaar van klager tegen de beschikking van 2 maart 2017 ongegrond te verklaren, artikel 1 van die beschikking te handhaven en de rest van die beschikking in te trekken en te vervangen door een Landsbesluit met verbetering van de gronden en voorwaarden.

2. Het procesverloop

Namens klager is op 6 februari 2018 ter griffie van het Gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het Gerecht) een pro- forma bezwaarschrift (met producties) ingediend.

Op 27 februari 2018 zijn de gronden aangevuld.

Verweerder heeft op 11 april 2018 een contra- memorie met producties ingediend.

De mondelinge behandeling van het bezwaar heeft plaatsgevonden op 14 mei 2018, waarbij klager is verschenen met zijn gemachtigde voornoemd die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. Namens verweerder is de heer L. Hakkens aanwezig bijgestaan door gemachtigde voornoemd, die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd.

Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3. Feiten en standpunten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Klager is hoofdmedewerker Facilitaire Zaken op de afdeling Facilitaire Zaken van het Ministerie van Algemene Zaken.

- Bij e-mail van 23 mei 2016 heeft het diensthoofd van klager, de heer [diensthoofd], het volgende bericht:

‘(…) I hereby would like to reconfirm my request for the allowance for Mr. [eiser]. The department is in dire need of skilled workers and as such Mr. [eiser] did fit in perfectly. Confirmed request is to start an allowance from March 1st 2013 retroactive for e-regular works after working hours and in weekends that he was conducting with his private vehicle until late 2013 he received a Government vehicle. (…)’

- Bij intern memorandum van 7 juni 2016 heeft het afdelingshoofd aan de afdeling P&O het volgende bericht:

‘(…) It was decided to entail Mr. [eiser] with 15% on call allowance for the simple reason that Mr. [eiser] was and is on call on emergences regarding Government offices. Examples are flooding, smoke alarms, actual fires and burglaries. 15% is justified because the occurrences were and are not a daily routine (…) I strongly believe that Mr. [eiser] deserves a gratification for exceptional performance at Facility Management in 2013-2014 and 2015. (…)’

- Bij Ministeriele Beschikking van 2 maart 2017 heeft verweerder onder 2 het verzoek van klager van 27 januari 2016 om salarisverhoging afgewezen, aan klager een gratificatie toegekend, alsmede een toelage per 1 januari 2017 van 25% voor toekomstig overwerk. Tegen dit besluit heeft klager bezwaar gemaakt op 6 april 2017.

- Op 19 april 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgesteld.

- Omdat de beschikking van 2 maart 2017 door de Gouverneur had moeten worden genomen, is de beschikking van 2 maart 2017 vervangen door het thans bestreden Landsbesluit van 4 januari 2018.

- Klager ontvangt nu een salaris conform schaal 9, trede 22.

3.2

Klager wijst er op dat zijn afdelingshoofd bij e-mails van 23 mei 2013 en 23 mei 2016 heeft gezegd dat klager buiten kantoortijden beschikbaar moet zijn. Daarmee valt klager onder de regeling als bedoeld in artikel 26, negende lid, onder c, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (hierna: LMA). Klager heeft deze toelage ten onrechte pas met ingang van 1 januari 2017 gekregen en niet met ingang van 1 maart 2013 vanaf welk moment hij het overwerk verricht. Klager was immers vanaf die datum ‘on call’. Hij mocht er bovendien op vertrouwen dat hij vanaf die datum de onregelmatigheidstoeslag zou krijgen, nu dit aan de Minister is geadviseerd. Klager vraagt om een flinke schadevergoeding.

3.3

Verweerder stelt dat niet blijkt dat klager om een toelage voor het overwerk heeft gevraagd. Verweerder meent dat klager aan artikel 26 van de LMA geen recht op een toelage kan ontlenen. Uit het artikel blijkt dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft, dus dat de vergoeding kan worden toegekend. Een vergoeding in geld wordt blijkens dit artikel bovendien alleen in zeer bijzondere gevallen gegeven. Daar komt bij dat niet vaststaat dat klager zo veel overuren heeft gemaakt dat een toelage van 25% van het salaris gerechtvaardigd zou zijn. Voor 2017 is dat wel in voldoende mate komen vast te staan. Het bezoldigings- en salarisbeleid schrijft ook niet voor dat klager een toelage van 25% zou moeten krijgen. Verweerders menen dat de bestreden besluiten kunnen worden dragen door de daaraan gegeven motivering. Het verzoek om schadevergoeding dat eiser heeft gedaan, is niet onderbouwd.

4. Relevante regelgeving

Artikel 26 van de LMA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Indien het dienstbelang het onvermijdelijk maakt, dat aan een ambtenaar werk wordt opgedragen buiten de vastgestelde werktijden, wordt hem op de in dit artikel bepaalde voet door of namens het bevoegd gezag een beloning toegekend (…).

2. (…)

3. De vergoeding voor overwerk wordt in vrije tijd genoten en bestaat uit verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de per werkperiode vastgestelde arbeidsduur van een voltijdswerkende vermenigvuldigd met de factor (…)

4. Het verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die, waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar.

5. (…). 6. (…). 7. (…) 8. (…).

9. Geen beloning voor overwerk, berekend per uur en geen toelage als bedoeld in het voorgaande lid worden genoten door ambtenaren:

a. (…) b. (…)

c. die zijn belast met de uitoefening van een functie taak, welke met zich meebrengt, dat zij regelmatig overwerk moeten verrichten.

Aan de onder a. en b. bedoelde ambtenaren kan voor overwerk een eenmalige vergoeding in vrije tijd of, in zeer bijzondere gevallen, in geld of een gratificatie en aan de onder c. bedoelde ambtenaren een vaste maandelijkse vergoeding worden toegekend, vast te stellen door of namens het bevoegd gezag, voor wat betreft de maximale hoogte van het bedrag van een zodanige vergoeding in vrije tijd of, in zeer bijzondere gevallen, in geld of gratificatie met inachtneming van het bij of krachtens artikel 74 bepaalde.

10. (…)

Conform artikel 16 van de Bezoldigingsregeling Ambtenaren kan een gratificatie zoals vermeld in artikel 74 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht worden toegekend van ten hoogste van één maand bezoldiging, eventueel vermeerderd met kindertoelage.

Krachtens paragraaf 5.2.4.3 van de Beloning- en salariëringsbeleid kan in gevallen waarin diensten buiten gewone normale werktijden beschikbaar moeten zijn, een onregelmatigheidstoeslag van 25% worden toegekend.

5. Beoordeling

5.1

Voor de duidelijkheid stelt het Gerecht vast dat de door klager bepleite salarisverhoging niet (langer) in geschil is.

5.2

Voor wat betreft de door klager gewenste toelage overweegt het Gerecht als volgt. Uit artikel 26, negende lid, aanhef en onder c, van de LMA volgt dat de ambtenaar die een functie heeft waarbij regelmatig overwerk moet worden verricht, geen toelage of beloning voor overwerk krijgt. Wel kan aan deze ambtenaar een vaste maandelijkse vergoeding worden toegekend.

5.3

Anders gezegd: wanneer de functie overwerk met zich meebrengt, heeft de betrokken ambtenaar daarvoor geen recht op een vergoeding, bovenop zijn salaris. Niettemin laat de wet de mogelijkheid open ook in die gevallen een beloning voor het overwerk te geven. Wel blijkt uit de formulering dat toekenning van een toelage een mogelijkheid is. Verweerder stelt dus terecht dat klager aan deze bepaling geen recht op een toelage kan ontlenen. Uit de bepaling volgt voorts dat de vorm en hoogte van de beloning is vast te stellen door of namens het bevoegd gezag. De alhier aangehaalde bepaling brengt dus met zich mee dat de rechter terughoudend moet toetsen.

5.4

Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat de functie die klager bekleedt er een is waarbij regelmatig overwerk moet worden verricht. Het Gerecht vindt hiervan bevestiging in de beschikking van 4 januari 2018, waarin onder meer staat dat het afdelingshoofd Facilitaire Zaken heeft aangegeven dat klager regelmatig buiten kantooruren beschikbaar moet zijn.

5.5

De vraag is nu of het besluit om aan klager met ingang van 1 januari 2017, en niet met ingang van een eerdere datum, een toelage te geven, die terughoudende toetsing kan doorstaan.

5.6

Klager meent dat de toelage die hem met ingang van 1 januari 2017 is toegekend, al in maart 2013 had moeten ingaan. Nu uit de functie die klager heeft, al volgt dat er enig overwerk moet worden verricht, is de vraag aan de orde of klager in de periode vanaf maart 2013 zó veel overwerk heeft verricht, dat verweerder hem al vanaf dat moment een toelage al had moeten toekennen. Klager heeft in dit verband gewezen op de (onder de feiten weergegeven) e-mail en het memo van het afdelingshoofd Facilitaire Zaken van 23 mei en 7 juni 2016.

5.7

Naar het oordeel van het Gerecht kan klager hieraan geen rechten op een toelage ontlenen. Nog daargelaten dat het memorandum slechts een advies bevat gegeven door een niet tot het geven van een toelage bevoegde autoriteit, wordt hierin gesproken over een “on call allowance for the simple reason that Mr. [eiser] was and is on call”. Zoals hiervoor is overwogen is dat op zichzelf niet voldoende om een toelage toe te kennen. Hetzelfde geldt voor de e-mail waaruit volgt dat klager vanaf maart 2013 –kort gezegd- overwerk heeft verricht. Anders dan klager stelt, bevatten het memorandum en de e-mail geen toezeggingen. Klager heeft aldus onvoldoende aangetoond dat sprake was van overwerk in die mate dat verweerder redelijkerwijs een toelage vanaf maart 2013 niet had kunnen weigeren. In dat verband acht het Gerecht voorts relevant dat vanaf het moment dat de overuren van klager zijn bijgehouden in 2018, niet van veel overwerk is gebleken.

5.8

Op diezelfde gronden oordeelt het Gerecht dat klager niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hem een onregelmatigheidstoelage is toegezegd.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder zijn beslissing afdoende gemotiveerd. Anders dan klager stelt, heeft verweerder niet ‘simpelweg’ de interne adviezen genegeerd. Verweerder heeft in de besluiten gemotiveerd waarom over de jaren tot en met 2016 een toelage niet is toegekend.

5.9

Het voorgaande betekent dat het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 30 juli 2018.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.