Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:52

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
AUA201400412/GAZA nr. 2550 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het gerecht bieden de door verweerder overgelegde producties en het verhandelde ter zitting onvoldoende concrete onderbouwing voor het in het bestreden landsbesluit verwoorde vermoeden. Het gerecht is voorts niet van overtuigd dat de gestelde vertrouwensbreuk tussen klaagster en de directeur van de Directie Financiën een voldoende grondslag vormt om het bestreden landsbesluit te rechtvaardigen. Het gerecht acht onvoldoende op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens aangetoond dat klaagster het haar verweten plichtsverzuim heeft begaan. De bestreden beslissing is niet op goede gronden genomen en dient te worden vernietigd. Het bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 juli 2018

AUA201400412/GAZA nr. 2550 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster] ,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de minister van Financiën en Overheidsorganisatie ,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 23 september 2014, no. 1, heeft verweerder klaagster met ingang van 23 september 2014, uit de functie van chef salarisadministratie ontheven, met behoud van haar rang en bezoldiging.

Tegen dit landsbesluit heeft klaagster op 10 oktober 2014 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 18 december 2014 een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 januari 2015, alwaar is verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. Hierna is de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating in verband met voortprocederen.

Op 7 december 2015 heeft verweerder een akte uitlating ingediend en is de zaak op verzoek van verweerder naar de rol verwezen voor voortzetting behandeling.

Hierna is de zaak ter zitting van 22 augustus 2016 behandeld, alwaar is verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

Op 19 september 2016 hebben partijen een akte uitlating ingediend.

Hierna is de zaak ter zitting van 3 oktober 2016 behandeld, alwaar is verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. Waarna de zaak naar de parkeerrol is verwezen.

Op de zitting van 21 mei 2018 is de zaak wederom behandeld, alwaar is verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster is ambtenaar bij de Directie Financiën in de functie van chef van de Salarisadministratie.

2.2

Bij bestreden landsbesluit van 23 september 2014 is klaagster uit haar functie ontheven. Blijkens de bewoordingen van het bestreden landsbesluit ligt daaraan – kort gezegd – het vermoeden ten grondslag dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim doordat zij een organiserende rol heeft gespeeld bij een tweetal collectieve acties (gezamenlijk ziekmelden) op de Afdeling Salarisadministratie. Dit heeft ervoor gezorgd dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan, waardoor het niet bevorderend is om klaagster terug te plaatsen bij de Directie Financiën, aldus verweerder.

2.3

Klaagster ontkent enige rol bij deze acties te hebben gespeeld en voert aan dat het bestreden landsbesluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu het bestreden landsbesluit volledig gegrond is op volstrekt onjuiste beschuldigingen jegens haar.

2.4

Naar het oordeel van het gerecht bieden de door verweerder overgelegde producties en het verhandelde ter zitting onvoldoende concrete onderbouwing voor het in het bestreden landsbesluit verwoorde vermoeden. Verweerder voert voorts aan dat er in elk geval sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk tussen klaagster en de directeur van de Directie Financiën, dat ook deswege de beslissing om klaagster uit haar functie te ontheffen is gerechtvaardigd. Het gerecht volgt verweerder niet in dit betoog. Het gerecht is niet van overtuigd dat de gestelde vertrouwensbreuk tussen klaagster en de directeur van de Directie Financiën een voldoende grondslag vormt om het bestreden landsbesluit te rechtvaardigen. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook die vertrouwensbreuk blijkens de door verweerder overgelegde producties in ieder geval voor een deel is ingegeven door het vermeende plichtsverzuim van klaagster. Nu, naar het oordeel van het gerecht, geen objectieve en voldoende concrete bewijzen zijn waaruit onmiskenbaar blijkt van klaagsters betrokkenheid bij de collectieve acties en dus niet voldoende is komen vast te staan dat klaagster het haar verweten plichtsverzuim inderdaad heeft gepleegd, mist ook de vertrouwensbreuk een voldoende stevig fundament.

2.5

Het gerecht kan, op grond van het vorenstaande, niet anders concluderen dan dat te zeer op vermoedens is afgegaan en de nodige twijfels blijven over de feitelijke gang van zaken. Deze onzekerheden mogen niet ten nadele van klaagster strekken. Het gerecht acht onvoldoende op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens aangetoond dat klaagster het haar verweten plichtsverzuim heeft begaan. Verweerders beroep op het vertrouwensbreuk slaagt derhalve ook niet.

2.6

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat verweerder de bestreden beslissing niet op goede gronden heeft genomen en dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd.

2.7

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het bestreden landsbesluit van verweerder van 23 september 2014, no. 1;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:

  • -

    Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;

  • -

    In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:

De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de datum van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.