Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:30

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-05-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
AUA201703016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft (nog) geen beslissing op het verzoek van klager genomen. Klager mocht derhalve ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op zijn verzoek te beschikken. Nu verweerder nog altijd niet inhoudelijk op klagers verzoek heeft beslist, is het bezwaar gegrond. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368, waaruit volgt dat de weigering te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is derhalve (primair) een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Verweerder zal derhalve alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klager. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 7 mei 2018

AUA201703016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN FINANCIËN EN OVERHEIDSORGANISATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 28 oktober 2016, heeft klager verzocht om aan hem voor de periode van 15 juni 2009 tot en met heden en in de toekomst schaarstetoelage toe te kennen.

Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek heeft klager op 8 november 2017 een bezwaarschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 maart 2018, alwaar zijn verschenen klager in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder bij gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Verweerder heeft (nog) geen beslissing op het op 28 oktober 2016 ingediende verzoek van klager genomen. Klager mocht derhalve ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op zijn verzoek te beschikken. Naar het oordeel van het gerecht is het bezwaarschrift tegen deze (fictieve) weigering tijdig ingediend.

2.2

Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat er inmiddels een advies is uitgegaan, maar op het verzoek is nog niet beslist.

Nu verweerder nog altijd niet inhoudelijk op klagers verzoek heeft beslist, is het bezwaar gegrond. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368, waaruit volgt dat de weigering te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is derhalve (primair) een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Verweerder zal derhalve alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klager. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

2.3

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt de bestreden (fictieve) weigering om te beslissen op het verzoek van klager van 28 oktober 2016;

draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak schriftelijk op het verzoek van klager te beschikken.

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door klager gemaakte kosten voor rechtsbijstand, tot op heden begroot op een bedrag van Afl. 600,-.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 7 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).