Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:20

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
Gaza nr. AUA201702615
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (GAZA) - Het gerecht overweegt dat het verzoek van klaagster om vergoeding van schade niet kan worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat klaagster schade heeft geleden. Het bezwaar zal ongegrond worden verklaard. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid en zijn voorbeeldfunctie in de maatschappij nog immer gehouden is op het verzoek van klaagster te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 9 april 2018

Gaza nr. AUA201702615

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster] ,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

DE MINISTER VAN ONDERWIJS EN GEZIN ,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 12 juni 2017, GAZA nr. 2517 van 2016/AUA201601143, heeft het gerecht het bezwaar gericht tegen het uitblijven van een beschikking op het verzoek van klaagster van 10 april 2015, om de titel van haar functie te wijzigen van “coördinator” naar “directeur” en om haar vanaf 1 april 2015 een directeurstoelage toe te kennen, gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen één maand na deze uitspraak schriftelijk op dat verzoek moet beschikken.

Op 5 oktober 2017 heeft klaagster een bezwaarschrift ex artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La) ingediend, omdat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan voornoemde uitspraak.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 19 februari 2018, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge het eerste lid van artikel 96 van de La is de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift bij het gerecht in te dienen, indien aan een bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing opgelegde veroordeling niet of niet volledig gevolg wordt gegeven. Ingevolge het derde lid van dit artikel veroordeelt het gerecht, indien het bezwaar gegrond wordt bevonden, het betrokken lichaam tot vergoeding en stelt het met inachtneming van alle omstandigheden het bedrag der schadevergoeding vast.

2.2

Het bezwaarschrift van klaagster strekt ertoe vergoeding van geleden schade te verkrijgen. Klaagster betoogt hiertoe dat zij sedert augustus 2009 directeur is van Trai Merdia en als gevolg hiervan aanspraak heeft op de directeur toelage. Een passende schadevergoeding komt neer op de door klaagster gemiste directeur toelage vanaf augustus 2009 tot haar pensioen op 26 april 2017, aldus klaagster.

2.3

Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat er inderdaad nog geen gevolg is gegeven aan de uitspraak van 12 juni 2017, dat de Departamento di Recurso Humano (DRH) op 19 januari 2018 een advies aan de minister heeft doen toekomen, en dat er binnenkort een beslissing volgt. Voor toekenning van schadevergoeding is slechts plaats indien met zekerheid kan worden vastgesteld dat klaagster schade heeft geleden. In casu kan dit niet met zekerheid worden vastgesteld, aldus verweerder.

2.4

Het gerecht stelt vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de inmiddels onherroepelijk geworden uitspraak van 12 juni 2017, waarbij hij is opgedragen om binnen een maand op het verzoek van klaagster te beslissen.

2.5

Volgens vaste jurisprudentie is er voor een toekenning van schadevergoeding overeenkomstig artikel 96, derde lid, van de La slechts plaats, indien op grond van de niet uitgevoerde uitspraak met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld wat de inhoud diende te zijn van de beslissing die verweerder heeft nagelaten te nemen. Eerst dan kan immers worden vastgesteld of het niet nakomen van de uitspraak van het gerecht tot schade aan de zijde van klager heeft geleid en hoe groot die schade is (zie GAZA 17 februari 2014, GAZA nr. 1742 van 2013 en GAZA 9 oktober 2017, AUA201700266).

2.6

Het gerecht overweegt dat het verzoek van klaagster om vergoeding van schade niet kan worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat klaagster schade heeft geleden. De uitspraak van dit gerecht van 12 juni 2017 brengt niet met zich mee dat verweerder gehouden is het verzoek van klaagster in te willigen. In die uitspraak heeft het gerecht overwogen dat verweerder nog altijd niet inhoudelijk heeft beslist op het verzoek van klaagster en dat hij alsnog een (reële) beslissing moet nemen op klaagsters verzoek. Daarmee is echter nog niet vast komen te staan dat klaagster voor de verzochte toelage in aanmerking komt en met ingang van welke datum.

2.7

Het bezwaar zal ongegrond worden verklaard. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid en zijn voorbeeldfunctie in de maatschappij nog immer gehouden is op het verzoek van klaagster te beslissen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 9 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Op grond van artikel 134 Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Hoger beroep dient te worden ingesteld binnen 30 dagen na de dag van deze uitspraak.