Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:12

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
AUA201700729
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegen klaagster is er een disciplinaire procedure gestart. Ruim 20 maanden na het verweten gedrag heeft verweerder een beslissing genomen omtrent het op te leggen disciplinaire straf.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat klaagster zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Niettemin is het gerecht van oordeel dat de tijd tussen het plichtsverzuim en de oplegging van de disciplinaire straf een periode van ruim 20 maanden, gegeven de klacht, te lang is. Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet meer een disciplinaire straf heeft kunnen opleggen. Het bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 12 maart 2018

AUA201700729

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster] ,

wonend te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA ,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.P. Wever (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 30 maart 2017 no. 3 (hierna: de bestreden beslissing) is met toepassing van artikel 83, lid 1 sub d in samenhang met lid 3 sub c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) aan klaagster een disciplinaire straf opgelegd van gedeeltelijke inhouding van inkomen ter grootte van Afl. 375,-.

Hiertegen heeft klaagster op 8 mei 2017 bezwaar ingebracht door het indienen van een bezwaarschrift bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 september 2017, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster kan zich niet verenigen met de opgelegde disciplinaire straf en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daarnaast voert klaagster aan dat de bestreden beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel en fair-play beginsel, nu verweerder niet binnen een redelijke termijn over is gegaan tot het nemen van een disciplinaire maatregel.

2.2

Ingevolge artikel 47, eerste lid van de Lma, is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Het derde lid bepaalt dat de ambtenaar zich behoort te onthouden van het bezigen van vloeken en van ruwe of onzedelijke taal.

Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

2.3

Bij de beantwoording van de vraag of klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.3.1

Klaagster is ploeg dienstleider bij het Departamento di Aduana.

2.3.2

Naar aanleiding van ambtsberichten en/of rapporten van 21 april 2015 respectievelijk 22 april 2015 is op 6 mei 2015 een disciplinaire procedure tegen klaagster gestart.

2.3.3

Bij schrijven van 15 juli 2015 ter verantwoording geroepen ter zake van vermeend plichtsverzuim, hetgeen klaagster bij schrijven van 21 augustus 2015 heeft gedaan.

2.3.4

Bij de bestreden beslissing van 30 maart 2017 is aan klaagster de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van inkomen ter grootte van Afl. 375,- opgelegd.

2.4

Klaagster wordt in de bestreden beslissing verweten dat zij zich in een “chat group” respectloos, sarcastisch en met gebruikmaking van onzedelijke taal heeft uitgelaten over de adjunct-directeur en de waarnemend chef Sectie Haven. Verweerder is van oordeel dat klaagster zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt en dat zij met haar uitlatingen haar ploegleden en anderen ophitst tegen de leidinggevenden. Verweerder concludeert dat klaagster zich hierdoor schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 82 van de Lma.

2.5

Klaagster voert onder meer aan dat de bestreden beslissing in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name het rechtszekerheidsbeginsel, nu verweerder pas na verloop van ruim 20 maanden een beslissing heeft genomen omtrent de op te leggen disciplinaire straf. Klaagster meent dat zij er op mocht vertrouwen dat er geen maatregel meer zou volgen.

2.6

Het gerecht overweegt als volgt.

Op 6 mei 2015 is een disciplinaire procedure tegen klaagster gestart. Bij bestreden landsbesluit van 30 maart 2017, ruim 20 maanden na het verweten gedrag, heeft verweerder een beslissing genomen omtrent het op te leggen disciplinaire straf. Aan die beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

2.7

Verweerder heeft bij contramemorie een uitdraai van het in casu relevante “chatgesprek” overgelegd. Het gerecht is het, met verweerder, van oordeel dat klaagster zich in dit “chatgesprek” op een ongepaste manier tegen de leiding uitlaat. Verweerder heeft zich onder deze omstandigheden terecht op het standpunt kunnen stellen dat klaagster zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

Niettemin is het gerecht met klaagster van oordeel dat de tijd tussen het plichtsverzuim en de oplegging van de disciplinaire straf een periode van ruim 20 maanden, gegeven de klacht, te lang is.

2.8

Onder de hiervoor onder 2.7 vermelde omstandigheden is het gerecht van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet meer een disciplinaire straf heeft kunnen opleggen.

2.9

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het landsbesluit van 30 maart 2017, no. 3;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster gemaakte

proceskosten, die worden begroot op Afl. 750,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 12 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).