Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:112

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
SXM201800567-GAZ 24/2018
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klager meent recht te hebben op een bevordering. Klager heeft echter geen rechtsmiddel ingesteld tegen de volgens hem foutieve landsbesluit die derhalve in rechte is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM201800567-GAZ 24/2018

Datum: 19 november 2018

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(klager),

wonende te Sint Maarten,

klager,

gemachtigde: de heer L.C.J. Lewis,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

gedaagde,

niet verschenen.

1 Aanduiding bestreden besluit

Het Landsbesluit van 12 maart 2018 waarbij verweerder het verzoek van klager hem te bevorderen, heeft afgewezen.

2 Het procesverloop

Op 2 mei 2018 heeft klager ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een bezwaarschrift (met producties) ingediend.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de hem gegeven mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.

Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2018. Klager is bij zijn gemachtigde voornoemd verschenen die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. Verweerder is, hoewel behoorlijk opgeroepen (bij dienstbrief van 27 september 2018 alsmede door verspreiding van een zittingsrol) niet verschenen.


Uitspraak is bepaald op heden.

3. Feiten en standpunten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- Klager is bij Landsbesluit van 8 mei 2001 ingaande 1 februari 2000 bij het Korps Politie St. Maarten, Saba en Sint Eustatius, in dienst getreden voor de duur van de opleiding tot hulpagent.

- Bij Landsbesluit van 9 april 2002 is klager met ingang van 1 januari 2002 benoemd in de functie van Medewerker Basis Politie Zorg in de rang van Hulpagent.

- Bij Landsbesluit van 5 juli 2007 is de bezoldiging van klager herzien, aldus dat hij met ingang van 1 januari 2004 schaal 5p, trede 1 ontvangt, per 1 januari 2005 schaal 5p trede 2, per 1 januari 2006 schaal 5p trede 3 en per 1 januari 2007 schaal 6p trede 1.

- Bij Landsbesluit van 21 oktober 2009 is klager per 1 januari 2009 benoemd in de functie van Medewerker Basis Politie Zorg in de rang van Brigadier van Politie in schaal 6p trede 3.

- Met het oog op de overgang naar het land Sint Maarten als de nieuwe bestuursorganisatie kreeg klager bij brief van 20 september 2010 een nieuwe plaatsing aangeboden. Dit betrof de functie van ‘Tactisch Rechercheur Zware Criminaliteit Bestrijding’ bij de Korps Politie Sint Maarten (KPSM) met als schaal 6p, bezoldigingstrede 4 met een bovenwindse toelage van 16,3%.

- Klager heeft een bezwaarschrift ingediend bij de vereffeningscommissie betreffende de rechttrekking van zijn rechtspositie. Deze werd toegewezen zoals verzocht en uitbetaald van 1 januari 2004 tot en met 10 oktober 2010.

- In een Communiqué van 30 mei 2011 is bekend gemaakt dat klager per 27 mei 2011 is geplaatst bij de sector Forensische Opsporing als Digitaal Rechercheur.

- Bij Landsbesluit van 30 mei 2013 is klager per 1 januari 2013 bevorderd naar de rang van Hoofdagent van politie in de functie Specialistisch Rechercheur met taakaccent Digitaal in schaal 8 trede 1 met een Bovenwindse toelage van 16,3%.

- Bij Landsbesluit van 4 februari 2016 is de bezoldiging van klager, werkzaam als Tactisch Rechercheur Zware Criminaliteit Bestrijding bij het KPSM, opnieuw vastgesteld aldus dat hij per 10 oktober 2010 schaal 7p trede 1 ontvangt, met ingang van 1 januari 2013 schaal 8p, trede 1, met ingang van 1 januari 2014 schaal 8p, trede 2 en met ingang van 1 januari 2015, schaal 8p, trede 3, met een Bovenwindse toelage van 16,3%.

- Bij brief van 22 maart 2017 heeft klager zich tot de Minister van Justitie gewend om zijn rechtspositie recht te trekken.

- Bij schrijven van 15 mei 2017 heeft klager gerappelleerd bij verweerder. Hij vraagt in deze brief om het Landsbesluit van 4 februari 2016 in te trekken omdat hij in dat besluit foutief pas per 10 oktober 2010 in schaal 7p, trede 1 is geplaatst. Voorts vraagt hij alsnog per 10 oktober 2010 te worden ingeschaald in schaal 7p, trede 6 en vraagt hij om een Landsbesluit met de aanstelling als Specialistisch Rechercheur, taakaccent digitaal, de rand hoofdagent van politie en plaatsing per 27 mei 2011 in schaal 8. Tot slot vraagt klager in deze brief om vervolgens per 27 mei 2016 de rang van inspecteur te krijgen met schaal 9. Bij brief van 27 juni 2017 aan de Minister van Justitie heeft klager wederom aangedrongen op de afhandeling van zijn bezwaar.

- Bij uitspraak van 26 januari 2018 heeft het Gerecht het bezwaar van klager tegen het uitblijven van een besluit gegrond verklaard en bepaald dat verweerder alsnog moet beslissen binnen vier weken.

- Op 28 maart 2018 heeft klager het thans bestreden besluit uitgereikt gekregen.

3.2

Klager heeft gevraagd aan verweerder om hem per 27 mei 2011 te bevorderen tot Specialistisch Rechercheur, taakaccent digitaal, in de rang van hoofdagent met schaal 8 en per 27 mei 2016 te plaatsen in de rang van Inspecteur, schaal 9. Klager stelt dat er een fout zit in het besluit van 4 februari 2016 waarin hij per 1 januari 2013 als Tactisch Rechercheur in schaal 7, trede 1 is geplaatst terwijl dit per 27 mei 2011 had gemoeten. Klager meent dat verweerder hem in het besluit van 4 februari 2016 te laag heeft ingeschaald. Hij wijst in dat verband op het advies van voormalig Korpschef Peter de Witte waarin werd verwezen naar een brief van 5 juli 2005 van de toenmalige Minister van Justitie de heer Dick. Hierin is bepaald dat iedereen die in schaal 6 zat, naar schaal 7 moest worden bevorderd. Kortom, verweerder heeft met het onderhavige bestreden besluit, het advies van de Witte ten onrechte niet opgevolgd en klager te laag ingeschaald.

3.3

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat klager bij landsbesluit van 4 februari 2016 in schaal 7p, trede 1 is geplaatst en dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Verweerder heeft in dat verband gewezen op een uitspraak van het Gerecht van 24 juli 2017. In die uitspraak is voorts overwogen dat verweerder niet was gehouden het interne advies van De Witte te volgen.

3.4

Het Gerecht overweegt als volgt. Klager is bij Landsbesluit van 4 februari 2016 bevorderd tot Specialistisch Rechercheur met ingang van 1 januari 2013 in de rang van hoofdagent. Klager bestrijdt dit landsbesluit uitsluitend voor zover daarbij de ingangsdatum van zijn benoeming is bepaald op 1 januari 2013. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder hiermee heeft miskend dat hij reeds sedert 27 mei 2011 als zodanig fungeert. Klager heeft voorts op het, onder de feiten vermelde, communiqué van de voormalige hoofdcommissaris van Politie gewezen. Het landsbesluit alsmede het bestreden besluit, doen onvoldoende recht aan deze memo, aldus klager.

3.5

Het geschilpunt is dat klager meent recht te hebben op een bevordering tot Specialistisch Rechercheur per 27 mei 2011 in de plaats van 1 januari 2013. Klager baseert dit op afronding van de opleiding tot Digitaal Rechercheur A en omdat hij sinds 27 mei 2011 fungeert als zodanig. Klager stelt dus dat er een fout zit in het besluit van 4 februari 2016.

3.6

Het Gerecht stelt vast dat klager geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het landsbesluit van 4 februari 2016. Het gevolg daarvan is dat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Voor het Gerecht is dit besluit nu een gegeven waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan. Het Gerecht gaat er dus van uit dat de benoeming tot hoofdagent van politie, met salarisschaal 7p, trede 1, per 1 januari 2013 juist is. Argumenten van klager gericht tegen dit besluit, kunnen in deze procedure dan ook (in beginsel) niet aan de orde komen. Hetzelfde geldt voor het besluit van 30 mei 2013 waarbij klager per 1 januari 2013 werd geplaatst in schaal 8p, trede 1.

3.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het bezwaar is ongegrond. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4 Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 november 2018.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de regeling Ambtenarenrechtspraak.