Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:111

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
SXM201800609-GAZ 25/2018
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klaagster is ondanks het ontbreken van een schriftelijke aanstelling ambtenaar in de zin van de Rar. Verweerder dient derhalve te beslissen op verzoek van klaagster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: SXM201800609-GAZ 25/2018

Datum: 19 november 2018

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

(klaagster),

wonende te Sint Maarten,

klaagster,

gemachtigde: mr. G. HATZMANN,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE,

wonende te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.,

1 Aanduiding bestreden besluit

De fictieve weigering van verweerder om te beslissen op het verzoek van klaagster, laatstelijk verwoord in haar brief van 23 april 2018 betreffende vaststelling van haar rechtspositie.

2 Het procesverloop

Op 15 mei 2018 bezwaarschrift is ter griffie van het gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het gerecht) een (met producties) ingediend.

Verweerder is bij dienstbrief van 16 mei 2018 van het bezwaarschrift op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld om een contramemorie in te dienen, van welke gelegenheid verweerder geen gebruik heeft gemaakt.

Mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op maandag, 22 oktober 2018. Klaagster is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

3 Feiten

De volgende feiten staan vast.

- Klaagster, geboren op (geboortedatum) te (geboorteland), was in dienst van het Land in de functie van Programma Manager B bij de afdeling Binnenlandse Aangelegenheden en Koninkrijksrelaties van het Ministerie van Algemene Zaken.

- Bij brief van 12 februari 2013 is de functie van directeur van de Voogdijraad aan klaagster aangeboden. De brief meldt dat klaagster per 16 maart 2013 zal worden ontheven uit haar huidige functie en zal worden benoemd in de functie van directeur van de Voogdijraad in schaal 13, trede 13. De brief maakt voorts melding van het voornemen van de Minister van Justitie om de Voogdijraad op te laten gaan in een nieuwe uitvoerende organisatie die ook zal worden belast met het werk dat door de SJIB wordt uitgevoerd.

- Bij Ministeriële beschikking van 5 september 2013 is klaagster met ingang van 16 maart 2013 in de functie van Secretaris van de Voogdijraad benoemd en is haar bezoldiging vastgesteld op schaal 13 trede 13.

- In een verslag van een op 24 september 2014 gehouden eindbeoordelingsgesprek, ondertekend door de toenmalige Secretaris-Generaal (SG), staat als advies van de SG om klaagster te plaatsen in schaal 14 trede 8 en om haar na een jaar “bij een goede beoordeling en de fusie tussen SJIB en de Voogdijraad” te plaatsen in schaal 15.

- Bij e-mailberichten van 17 september 2014, 22 september 2014, 18 december 2014, 26 januari 2016, 25 februari 2015, 23 maart 2015, 9 juni 2015, 9 november 2015, 19 april 2016, 17 maart 2017, 15 juni 2017, 13 november 2017, 20 december 2017 en 17 januari 2018 heeft klaagster haar verzoeken om –kortweg- haar salaris en haar rechtspositie vast te stellen en de afspraken die in het beoordelingsgesprek zijn gemaakt, uit te voeren, onder de aandacht van verweerder gebracht.

- Bij schrijven van 21 februari 2018 heeft klaagster de Minister van Justitie verzocht om er voor zorg te dragen dat de uitvoerende organisatie van het Ministerie van de grond komt en dat zij als directeur van de organisatie wordt aangesteld met bijbehorende herinschaling.

- Bij schrijven van 23 april 2018 heeft de gemachtigde van klaagster gerappelleerd en haar verzoek herhaald.

- Tot op heden is een beslissing op het verzoek van klaagster uitgebleven.

4 Beoordeling

4.1

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het Gerecht niet bevoegd is, omdat klaagster geen ambtenaar is. In dat verband stelt verweerder dat de Voogdijraad civielrechtelijk is ingesteld.

4.2

Klaagster stelt dat zij wel degelijk ambtenaar is, ondanks dat zij nooit een Landsbesluit heeft ontvangen. Alle medewerkers van de Voogdijraad zijn als ambtenaar benoemd, en hebben dus wel een Landsbesluit gekregen. Klaagster wijst er voorts op dat de Voogdijraad vóór 10 oktober 2010 onder het Ministerie van Justitie viel en dat het een omissie was, nadrukkelijk erkend door de toenmalige Minister van Justitie, dat de taken van slachtofferhulp, reclassering en Voogdijraad niet waren geregeld in de nieuwe organisatie. Zij wijst voorts op de brief waarin haar de functie is aangeboden, welke brief door de Minister van Justitie is getekend. Uit haar salarisstrook blijkt dat zij betaald word door het Ministerie van Justitie en in dienst is van het land Sint Maarten. Alle Voogdijraden van de Koninkrijkslanden vallen bovendien onder het Ministerie van Justitie. Klaagster wijst tot slot op het Landsbesluit houdende algemene maatregelen tot onderverdeling en nadere uitwerking van het Ministerie van Justitie.

4.3

Het Gerecht stelt vast dat verweerder geen contramemorie heeft ingebracht en het betoog over de al dan niet ambtelijke status van klaagster niet eerder dan op de zitting naar voren heeft gebracht. Verweerder handelt daarmee in strijd met de goede procesorde. Het Gerecht zal dit betoog niettemin adresseren, omdat het van openbare orde is. Het werpt immers de vraag op of het Gerecht bevoegd is deze zaak te behandelen.

4.4

In artikel 1 van de Regeling ambtenarenrechtspraak (Rar) is een definitie gegeven van ambtenaar: ambtenaar in de zin van deze landsverordening en de daarop berustende landsbesluiten en beschikkingen is hij, die door het bevoegde gezag is benoemd of aangesteld in openbare dienst werkzaam te zijn. Geen ambtenaren zijn (onder meer) degenen met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

4.5

Vast staat dat aan klaagster nooit een Landsbesluit is uitgereikt waarin zij tot ambtenaar is benoemd. De vraag is nu of klaagster desondanks als ambtenaar moet worden beschouwd.

4.6

Het Gerecht wijst in dat verband in de eerste plaats op het door klaagster aangehaalde Landsbesluit houdende algemene maatregelen tot onderverdeling en nadere uitwerking van het Ministerie van Justitie (Lbham Organisatiebesluit Justitie). In artikel 2 van dit besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat justitiële jeugdbescherming een van de hoofdtaken van het Ministerie van Justitie is. Artikel 4 van het Organisatiebesluit Justitie stelt dat “Justitiële Zaken” een van de afdelingen van het Ministerie van Justitie is. In artikel 11 van genoemd besluit is te lezen dat de afdeling Justitiële Zaken verantwoordelijk is voor, onder andere, het voorbereiden, implementeren en beheren van de wet- en regelgeving ter voorkoming van de zedelijke en lichamelijke ondergang van minderjarigen en de bevordering van op (weder)opvoeding gerichte activiteiten, alsmede het monitoren van de naleving van deze wet- en regelgeving, het opstellen van beleid en het doen van voorstellen voor het ontwikkelen, bijstellen, bewaken en (doen) uitvoeren van het beleid ter voorkoming van zedelijke en lichamelijke ondergang van minderjarigen en de bevordering van op (weder) opvoeding gerichte activiteiten, waaronder het budgettaire instrumentarium en het bewaken van de kwaliteit van de justitiële jeugdbescherming.

4.7

Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit deze bepalingen van het Organisatiebesluit Justitie dat de werkzaamheden van de Voogdijraad behoren tot het Ministerie van Justitie. De enkele omstandigheid dat de Voogdijraad een civielrechtelijke basis zou hebben, nog daargelaten dat verweerder hieromtrent niets heeft aangetoond, doet daar niet aan af. De vaststelling dat de werkzaamheden van de Voogdijraad tot het Ministerie van Justitie behoren, is wel een aanwijzing, maar op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de directeur van de Voogdijraad ambtenaar is. Het Gerecht acht ter bepaling van de al dan niet ambtelijke status van klaagster ook het navolgende nog van belang.

4.8

In de brief van 12 februari 2013 van verweerder aan klaagster staat onder meer dat zij met ingang van 16 maart 2013 zal worden benoemd in de functie van directeur van de Voogdijraad. Door te spreken van benoeming, heeft verweerder te kennen gegeven klaagster als ambtenaar te willen aanstellen. Indien verweerder zou hebben beoogd klaagster een arbeidscontract aan te bieden, dan zouden immers de woorden arbeidscontract of arbeidsovereenkomst of iets in die zin zijn gebruikt. Ook het beslisblad van de Ministerraad van 21 juni 2013 spreekt over de benoeming van klaagster bij de Voogdijraad. Daar komt bij dat verweerder op 5 september 2013 een Ministeriele Beschikking heeft genomen waarin klaagster wordt belast met de functie van secretaris van de Voogdijraad. Onder deze beschikking is een rechtsmiddelenclausule opgenomen die verwijst naar het Gerecht in Ambtenarenzaken. Het Gerecht hecht er voorts belang aan dat tussen klaagster en verweerder nimmer een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

4.9

Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 is overwogen dient klaagster, ondanks het ontbreken van een aanstellingsbesluit, als ambtenaar te worden aangemerkt. Dit betekent dat het Gerecht bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

4.10

Artikel 35 Rar bepaalt- voor zover relevant- dat een bezwaarschrift kan worden ingediend ten zake van een beschikking, handelen of weigering (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van een ambtenaar als zodanig.

4.11

In het bezwaarschrift verzoekt klaagster –kort gezegd- om verweerder op te dragen binnen twee weken te beslissen. Zij klaagt over het uitblijven van een beslissing over haar inschaling naar aanleiding van het beoordelingsgesprek van september 2014. Daarnaast klaagt zij over het uitblijven van een benoeming in de functie van Directeur van een nieuwe uitvoerende organisatie van het Ministerie van Justitie namelijk een fusie van de SJIB en de Voogdijraad. Volgens klaagster is dit verzoek vervat in haar correspondenties aan verweerder tussen december 2014 en januari 2018 alsmede middels schrijven van haar gemachtigde aan verweerder d.d. 23 april 2018.

4.12

Artikel 41, eerste lid van de Rar bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is genomen, verricht of uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet is genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering wordt geacht te zijn uitgesproken.

4.13

Van een weigering om te handelen of te beschikken door een administratief orgaan of te beschikken kan pas sprake zijn, als een aanvraag tot handelen of beschikken is gericht tot het betreffende bestuursorgaan. Klaagster heeft aangetoond, het Gerecht verwijst naar de weergave hiervan onder de feiten, dat zij veelvuldig correspondentie heeft gevoerd met verweerder om haar rechtspositie geformaliseerd te krijgen. Zij deed dat voor het eerst in september 2014 en laatstelijk bij brief van 23 april 2018 aan de Minister van Justitie. Nu voor de beslissing op het verzoek geen wettelijke beslistermijn geldt, diende verweerder binnen een redelijke termijn op het verzoek van klaagster te beslissen. Op 15 mei 2018, toen klaagster haar bezwaarschrift bij het Gerecht indiende, was een redelijke beslistermijn in elk geval al ruimschoots verstreken. De opmerking van verweerder ter zitting dat mogelijk van een prematuur bezwaarschrift sprake is, nu niet veel tijd is verstreken tussen het verzoek van klaagster van 23 april 2018 en het indienen van het bezwaarschrift, miskent alle correspondentie die klaagster ter zake al vanaf september 2014 met verweerder heeft gevoerd.

4.14

Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

4.15

Uit de bepalingen van de Rar volgt dat aan de weigering om een beschikking te geven of te handelen geen materiele gevolgen zijn verbonden. De weigering om te beschikken of te handelen wordt in de Rar niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking gekwalificeerd. Door de gelijkstelling van de weigering om te beschikken of te handelen met het afgeven van een reële beschikking is het voor belanghebbende mogelijk om hiertegen desgewenst rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is naar het oordeel van het Gerecht primair een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te dwingen tot besluitvorming.

4.16

Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat er sprake is van een bezwaarschrift ingediend door belanghebbende tegen de weigering om te beschikken of handelen als bedoeld in de Rar welke gegrond moet worden verklaard en waarbij het bestuursorgaan moet worden opgedragen om alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking te geven. Het Gerecht ziet aanleiding verweerder een termijn van vier weken te geven om alsnog op het verzoek van klaagster te beslissen.

4.17

Het Gerecht acht termen aanwezig om te bepalen dat het land Sint Maarten aan klaagster een bedrag betaalt als vergoeding van door klaagster gemaakte proceskosten. Deze worden naar analogie van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht bepaald op NAf 700,--, zijnde 1 punt voor het bezwaarschrift. Het Gerecht kent geen punt toe voor de behandeling ter zitting, omdat de gemachtigde van klaagster daarbij niet aanwezig was.

5 Beslissing

Het Gerecht in ambtenarenzaken:

4.1

verklaart het bezwaar gegrond;

4.2

draagt verweerder op binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak te beslissen op voormelde verzoeken van klaagster;

4.3

veroordeelt het Land Sint Maarten tot vergoeding aan klaagster van een bedrag van NAf. 700,-- voor de kosten van deze procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het Gerecht in ambtenarenzaken van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 19 november 2018.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk. Zie titel IV van de Regeling Ambtenarenrechtspraak