Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:110

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
400.00141/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opiumdelict

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 400.00141/18

Uitspraak: 13 september 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteland],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op

23 augustus 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.

De officier van justitie, mr. A.A.E. Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1

dat hij,

op of omstreeks 27 maart 2018,

op Bonaire en/of in Nederland,

tezamen en in vereniging met en ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES (ongeveer) 405 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna aan dit vonnis toe te voegen aanvulling bevattende de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

Feit 1

dat hij,

op of omstreeks 27 maart 2018,

op Bonaire en/of in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES (ongeveer) 405 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Op 27 maart 2018 werden op het vliegveld van Bonaire bij de man, [medeverdachte 1], potjes bevattende cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft medeverdachte [medeverdachte 2] aangewezen als zijnde de man die de potjes aan hem heeft gegeven om deze mee te nemen naar Nederland. Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van de zus van [medeverdachte 1], deze naar Schiphol heeft gebracht en hem van Schiphol zou ophalen. Verder heeft hij verklaard dat hij mee is geweest met [medeverdachte 1] naar het boekingsbureau om de vlucht te boeken. Hij zou de ticket niet hebben betaald. Voorts heeft verdachte aangegeven dat de tapgesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] voor een deel gingen over het vervoer van “karkó” naar Nederland. Deze laatste verklaring wordt op grond van het volgende als zijnde ongeloofwaardig ter zijde gesteld.

Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] op 27 maart 2018 volgens de instructies van de verdachte “iets” heeft afgegeven aan een man. Tijdens een gesprek op diezelfde dag zegt de verdachte tegen [medeverdachte 2] dat hij tegen de man moet zeggen om een hangslot op dat ding te doen. In de ochtend van 28 maart 2018, kort na de aanhouding van [medeverdachte 1], voert de verdachte wederom meerdere gesprekken met [medeverdachte 2]. Tijdens die gesprekken werden uitspraken gedaan als: “Het is heel slecht. De man is aan die kant gevallen”, “Ik heb zijn nummer gebeld, maar de telefoon gaat niet over en doet niets. Het valt gewoon weg en ik zeg tegen de zus dat deze telefoon niet binnen Europa is. Ik stond bij de ingang en zij keek door de glazen. Ik zei tegen de zus om maar hier weg te gaan en dat wanneer de man komt, hij maar de trein moet nemen of bellen, want ik ben vanaf 10:30 uur hier”. Verder werden uitspraken gedaan als: “Het werd getipt.”, “De persoon heeft gezegd dat men een verdenking had dat hij iets zou gaan doen. De persoon heeft gepraat, want het is zo gegaan. Zijn koffer was reeds in het ding dat zou gaan opstijgen. Ze zijn het daarbinnen gaan halen”, “Ik hoor nu pas over de dingen. Als wij dat eerder hadden geweten zouden wij inderdaad niets gedaan hebben”, “Ze zijn het gaan halen, ze hebben het uit het vliegtuig gehaald. Uit het vliegtuig gehaald, alleen die drie dingen eruit gehaald en meegenomen”.

Het Gerecht leidt af uit voornoemde gesprekken in samenhang met het aanwijzen door [medeverdachte 1] van [medeverdachte 2] als degene die de potjes aan hem heeft gegeven, het aantreffen van cocaïne bij [medeverdachte 1] en de aanhouding van [medeverdachte 1] dat verdachte, die overigens een relatie heeft met de moeder van [medeverdachte 2], aan [medeverdachte 2] opdracht heeft gegeven om de potjes bevattende cocaïne af te geven aan [medeverdachte 1] en verder instructies heeft gegeven over de wijze van vervoer (het hangslot). Verder gaat het Gerecht ervan uit dat het intensieve vervolgcontact ging over de aanhouding van [medeverdachte 1], hoe dat kon gebeuren en hoe verder te handelen. Het verhaal over het vervoer van “karko” door een man op dezelfde vlucht als die waarmee [medeverdachte 1] zou komen, vindt geen bevestiging in objectieve gegevens. Overigens heeft verdachte in het geheel geen gegevens willen verstrekken (zoals de naam van de man die de “karko” heeft geleverd en zou vervoeren) waarmee dat verhaal geverifieerd had kunnen worden. Alle omstandigheden, bezien in onderling verband, dat verdachte, die stelt [medeverdachte 1] niet of nauwelijks te kennen, met hem een ticket gaat boeken, hem wegbrengt naar het vliegveld en hem zou ophalen, dat hij, verdachte, [medeverdachte 2] instructies geeft over het leveren en het vervoer van de cocaïne en vervolgens intensief de gang van zaken rond dat vervoer volgt en bespreekt, maken dat een nauwe en bewuste samenwerking bij het uitvoeren van cocaïne wettig en overtuigend bewezen wordt geacht.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder A van de Opiumwet 1960 BES.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitvoer van cocaïne. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat vaak gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder het plegen van strafbare feiten van uiteenlopende aard door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het gaat hier om een stof die zeer verslavend en zeer schadelijk is voor de gezondheid, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de nadelige gevolgen die drugshandel met zich meebrengt.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de rol van verdachte die als organisator kan worden gekwalificeerd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.. Het Gerecht neemt bij de bepaling van de straf als uitgangspunt de uitvoer van 324 gram cocaïne, zijnde 80% van het brutogewicht (405 gram cocaïne in pastavorm).

Bij de oplegging van de straf houdt het Gerecht rekening met de straffen die in vergelijkbare gevallen voor dit soort feiten worden opgelegd.

Het Gerecht weegt tevens in het nadeel van de verdachte mee dat hij (ook) in de afgelopen vijf jaren in het kader van een drugsdelict (in Nederland) een straf opgelegd heeft gekregen.

In het reclasseringsrapport van 9 juli 2018 wordt onder meer gesproken over structureel problematisch drugsgebruik door verdachte en van een benarde financiële situatie. Geadviseerd wordt om toezicht op te leggen en behandeling bij een verslavingsinstelling. Verder volgt uit de stukken dat op 13 juli 2018 bij verdachte een huiszoeking (in [woonplaats]) heeft plaatsgevonden waarbij op meerdere plaatsen (vermoedelijk) drugs zijn aangetroffen. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat deze zaak is overgedragen aan Bonaire en dat verdachte op korte termijn voor deze zaak gedagvaard zal worden.

Naar het oordeel van het Gerecht ligt het in de rede dat bij de behandeling van die zaak, indien verdachte schuldig is, bij een nieuwe straf een oordeel wordt gevormd over eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden temeer omdat dan duidelijkheid kan worden gegeven over de recente situatie rond het schuldsaneringstraject, baan, huisvesting en het al dan niet gemotiveerd zijn voor behandeling.

Alles afwegende acht het Gerecht een straf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijk voorschrift, gegrond op de artikelen 31 en 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 11 van de Opiumwet 1960 BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos, bijgestaan door

mr. M.D.M. Connor, zittingsgriffier, en op 13 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

uitspraakgriffier: