Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2018:108

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
GAZ CUR201800823
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover in artikel 96, eerste lid, van de LMA is vermeld “artikel 94, eerste lid onder a” is er sprake van een evidente verschrijving. De wetgever heeft kennelijk beoogd de inhouding van een derde van het loon mogelijk te maken in de gevallen beschreven in de artikelen 94, onder a, en 95, eerste lid onder a van de LMA.

Hoewel van verweerster had mogen worden verwacht dat zij in het schorsingsbesluit zou specificeren welke belangen zij tegen elkaar heeft afgewogen om tot haar beslissing te komen, acht het Gerecht het schorsingsbesluit met bedoelde overwegingen voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klaagster],

wonende te Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: mr. M. Verkade, advocaat,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij verweerster.

1 Procesverloop

1.1.

Bij landsbesluit van 25 juli 2017 is klaagster met ingang van 27 juni 2017 in haar ambt geschorst (het schorsingsbesluit).

1.2.

Klaagster heeft op 19 oktober 2017 tegen het schorsingsbesluit bezwaar ingesteld bij de minister van Justitie (de minister).

1.3.

Op 14 maart 2018 heeft klaagster een (aanvullend) bezwaarschrift tegen het schorsingsbesluit ingediend bij dit Gerecht.

1.4.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.5.

De openbare behandeling van het bezwaar heeft ter zitting van het Gerecht op 15 oktober 2018 plaatsgevonden. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Namens verweerster is de gemachtigde voornoemd verschenen.

2 Beoordeling

2.1

Klaagster is vanaf 15 augustus 2004 in dienst van de Uitvoeringsorganisatie Toelatingsorganisatie van het Ministerie van Justitie (Toelatingsorganisatie) in de functie van medewerker intake. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar fraude bij de Toelatingsorganisatie is klaagster op 27 juni 2017 door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. Op 7 juli 2017 is klaagster hangende het strafrechtelijke onderzoek dat tegen haar is ingesteld op vrije voeten gesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft de minister aan klaagster met onmiddellijke ingang en voor de duur van het tegen haar ingestelde strafrechtelijke onderzoek de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en het werk. Op 19 september 2017 is het schorsingsbesluit aan klaagster uitgereikt. In de strafzaak tegen klaagster heeft het Gerecht klaagster bij vonnis van 15 augustus 2018 veroordeeld voor het als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd. Vanaf 1 juli 2017 tot heden wordt een derde deel van het loon van klaagster ingehouden.

Ontvankelijkheid

2.2.

Zoals de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken heeft overwogen bij uitspraak van 10 november 2017, zaaknr. CUR2016H00053, ECLI:NL:ORBAACM:2017:5, staat administratief beroep op grond van artikel 11 van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 alleen open tegen besluiten waaraan functioneringsbeoordelingen (mede) ten grondslag zijn gelegd. Daarvan is hier geen sprake. Tegen het schorsingsbesluit stond dan ook geen bezwaar bij de minister open. Hoewel de Regeling Ambtenarenrechtspraak (Rar) niet voorziet in een wettelijke verplichting daartoe, had van de minister mogen worden verwacht dat hij in verband met de door hem jegens klaagster als ambtenaar te betrachten zorgvuldigheid het bezwaarschrift aan het Gerecht zou doorzenden. Het Gerecht zal voor het beoordelen van de ontvankelijkheid van het bezwaar uitgaan van de indieningsdatum van het bezwaarschrift, namelijk 19 oktober 2017. Aangezien klaagster het schorsingsbesluit op 19 september 2017 heeft ontvangen, heeft zij het bezwaar binnen de op grond van artikel 41 van de Rar geldende bezwaartermijn van dertig dagen en dus tijdig ingesteld. Klaagster zal daarom in haar bezwaar worden ontvangen.

Inhouding loon gedurende schorsing van rechtwege

2.3.

Aan de orde is allereerst de vraag of verweerster een derde van het loon van klaagster mocht inhouden gedurende de periode dat klaagster op grond van artikel 95, eerste lid, aanhef en onder a van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (LMA) van rechtswege geschorst was.

2.4.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, aanhef en onder a van de LMA is de ambtenaar van rechtswege in zijn ambt geschorst, indien hij zich in verzekerde bewaring bevindt.

Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de LMA wordt, voor zover hier van belang, tijdens de schorsing ingevolge artikel 94, onder a, of ingevolge artikel 94, eerste lid onder a, het inkomen voor een derde gedeelte ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag, plaatsvinden.

2.5.

Het Gerecht is het met verweerster eens dat voor zover in artikel 96, eerste lid, van de LMA is vermeld “artikel 94, eerste lid onder a”sprake is van een evidente verschrijving en de wetgever kennelijk heeft beoogd de inhouding van een derde van het loon mogelijk te maken in de gevallen beschreven in de artikelen 94, onder a, en 95, eerste lid onder a van de LMA. Immers, valt niet in te zien en is door klaagster in ieder geval niet toegelicht waarom de wetgever anders tweemaal artikel 94 van de LMA zou vermelden en daarbij een niet bestaande bepaling zou noemen. Artikel 94, eerste lid onder a van de LMA bestaat namelijk niet. Wat wel bestaat is artikel 95, eerste lid, onder a van de LMA. Verder is het gelet op de samenhang tussen de artikelen 94, 95 en 96 van de LMA uitgesloten dat de wetgever in artikel 96, eerste lid, naar een andere bepaling had willen verwijzen dan de artikelen 94 en 95 van de LMA. Kortom, artikel 96, eerste lid, van de LMA dient zo te worden gelezen dat op grond van die bepaling inhouding van een derde van het loon van een ambtenaar mogelijk is tijdens een schorsing ingevolge artikel 94, onder a, of artikel 95, eerste lid, onder a, van de LMA. Verweerster was aldus op grond van artikel 96, eerste lid, van de LMA bevoegd om een derde van het loon van klaagster in te houden gedurende de periode dat zij in verband met haar detentie ingevolge artikel 95, eerste lid, onder a, van de LMA van rechtswege geschorst was. Het schorsingsbesluit kan daarom in zoverre in stand blijven.

Schorsing op grond van artikel 94 van de LMA

2.6.

Ten aanzien van de stelling van klaagster dat verweerster het tweede en derde onderdeel (randnummers twee en drie) van het schorsingsbesluit niet van een kenbare motivering heeft voorzien, overweegt het Gerecht het volgende.

2.7.

De beslissingen vervat in het tweede en derde onderdeel van het schorsingsbesluit worden voorafgegaan door een aantal overwegingen, waarin verweerster vermeld heeft dat tegen klaagster een strafrechtelijke vervolging is ingesteld en dat zij de periode vanaf 27 juni tot 7 juli 2017 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het was voor klaagster dan ook kenbaar dat verweerster met inachtneming van die feiten, die overigens niet in geschil zijn, tot de conclusie is gekomen dat het belang van klaagster om haar werkzaamheden voort te zetten niet prevaleert boven het belang van verweerster om haar schorsing te laten voortduren.

2.8.

Hoewel van verweerster had mogen worden verwacht dat zij in het schorsingsbesluit zou specificeren welke belangen zij tegen elkaar heeft afgewogen om tot haar beslissing te komen, acht het Gerecht het schorsingsbesluit met bedoelde overwegingen voldoende gemotiveerd. Daarbij kent het Gerecht doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat klaagster ermee bekend was dat de feiten waarvan zij werd verdacht direct verband hielden met de uitoefening van haar ambt. Indien voormelde overwegingen in het schorsingsbesluit tegen die achtergrond worden gelezen had klaagster in redelijkheid dienen te begrijpen waarom verweerster tot het oordeel is gekomen dat de schorsing ook na haar invrijheidstelling diende voort te duren. Gelet op de ernst van de feiten waarvan klaagster werd verdacht en het feit dat die verdenking (mede) betrekking had op de uitoefening van haar ambt, heeft verweerster naar het oordeel van het Gerecht niet onredelijk jegens klaagster gehandeld door haar hangende het strafrechtelijk onderzoek en aansluitend aan de strafrechtelijke eindbeslissing te schorsen. Ten aanzien van dat laatste geldt namelijk dat aan verweerster na die eindbeslissing een redelijke termijn dient te worden gegund waarbinnen zij dient te beslissen of zij het nodig acht om verdere maatregelen tegen klaagster te nemen of dat de schorsing wordt opgeheven. Doordat het in het belang van klaagster is om daar zo snel mogelijk duidelijkheid over te hebben, kan wel van verweerster worden verwacht dat zij de in dat verband te nemen beslissingen zo snel mogelijk op schrift zal stellen en aan klaagster bekend zal maken.

2.9.

Voor vernietiging van het schorsingsbesluit bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

2.10.

In het derde onderdeel van het schorsingsbesluit is de schorsing met ingang van de dag dat in de strafrechtelijke vervolging van klaagster een “eindbeslissing” is genomen op het belang van de dienst, zoals bedoeld in artikel 94, sub c, van de LMA, gegrond. Desgevraagd heeft verweerster ter zitting bevestigd dat met “eindbeslissing” bedoeld wordt het strafvonnis van het Gerecht. Nu het Gerecht op 15 augustus 2018 vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen klaagster, volgt daaruit dat schorsing in het belang van de dienst op 15 augustus 2018 is ingegaan. Doordat artikel 96 van de LMA geen grond biedt voor inhouding van het loon in geval van een schorsing op die grond, brengt dat met zich dat met ingang van 15 augustus 2018 geen sprake meer mocht zijn van inhouding van een derde van het loon van klaagster. Voor zover verweerster de inhouding van een derde van het loon van klaagster ook na 15 augustus 2018 heeft voortgezet, verstaat het Gerecht dat verweerster die inhouding met terugwerkende kracht tot 15 augustus 2018 zal stopzetten.

2.11.

Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd behoeft in het licht van het voorgaande geen bespreking.

2.12.

Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.

3 Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2018 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAr.