Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:91

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 2204 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het gerecht bieden de gedingstukken onvoldoende duidelijke aanknopingspunten om vast te stellen welk van beide lezingen van de gebeurtenissen de juiste is. Echter, ook indien de lezing van verweerder wordt gevolgd, kan de conclusie worden getrokken dat klager, nadat hij zijn fout had onderkend, in een zeer korte tijdspanne tot een oplossing is gekomen. Dit enkele incident rechtvaardigt dan ook niet de oplegging van de zwaarste disciplinaire straf (onvoorwaardelijk ontslag) die aan een ambtenaar kan worden opgelegd. Verweerder heeft evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat klager de geschiktheid en bekwaamheid ontbeert om zijn functie uit te oefenen. De bestreden beschikking is derhalve niet voorzien van een deugdelijke motivering. Het bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 11 september 2017

GAZA nr. 2204 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER

gemachtigde: de advocaat mr. F.A. Gibbs,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 24 juli 2015, no. 30, aan klager uitgereikt op 31 augustus 2015, heeft verweerder klager – kort gezegd – primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, subsidiair klager eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma, met ingang van de dag na dagtekening van het landsbesluit.

Tegen deze beschikking heeft klager op 29 september 2015 bezwaar gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 april 2016, alwaar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager, ambtenaar werkzaam in de functie van luchtverkeersleider bij de Directie Luchtvaart, wordt bij de bestreden beschikking verweten, dat hij schuldig is aan een incident op 3 september 2013, dat in grote mate het luchtverkeer in gevaar heeft gebracht en rampzalige consequenties had kunnen hebben. Voorts wordt overwogen dat klager geen verantwoording neemt voor de door hem begane (en erkende) grove fout en dat hij hierdoor blijkt geeft geen besef te hebben van zijn taak/verantwoordelijkheid als luchtverkeersleider, welk gedrag onaanvaardbaar is. Hierdoor is klager in hoge mate tekort heeft geschoten in zijn verantwoordelijkheid en verplichtingen als een goed ambtenaar waardoor er geen vertrouwen in hem meer is en er ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van de integriteit van klager. Verweerder concludeert op grond van het vorenstaande dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat het vertrouwen in hem ernstig is geschaad, waardoor er aanleiding bestaat om hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, dan wel om hem wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid te ontslaan.

2.2

Klager kan zich niet verenigen met het hem verleende ontslag en betwist dat zijn handelen, ernstig plichtsverzuim oplevert dan wel blijkt geeft van ongeschiktheid en onbekwaamheid voor zijn functie.

2.3.

Het incident, waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen, betrof een klaring, die verzoeker aan een klein vliegtuigje (YV 2254) had gegeven, om te landen op baan 11, terwijl een groot vliegtuig (Jetblue 1858) op baan 29 gereed stond – maar daartoe nog geen klaring had – om in tegenovergestelde richting te starten.

2.3.1

Klager heeft hierover, onder verwijzing naar een door twee gecertificeerde luchtverkeersleiders, werkzaam te Curaçao, opgestelde ‘experten verklaring’ nader verklaard dat hij een flight plan had van het vliegtuig Jetblue 1858, en dat hij dat vliegtuig naar baan 29 had gestuurd in afwachting van diens vertrek. Klaring voor vertrek had hij nog niet gegeven. Even later verzocht de piloot van het kleine vliegtuigje (YV 2254), afkomstig uit Venezuela, klaring om te landen. Een flight plan voor dit vliegtuigje was er niet. Klager gaf de verzochte klaring, maar zag direct hierna in dat YV 2254 niet kon landen, omdat Jetblue 1858 reeds op de baan stond. Klager heeft direct Jetblue 1858 van deze situatie op de hoogte gesteld en gezegd niet te vertrekken. Klager heeft toen de klaring aan YV 2254 onmiddellijk ingetrokken en aan de piloot van YV 2254, die alleen Spaans sprak, de optie gegeven om op baan 29 te landen. Toen deze aangaf op baan 11 te willen landen heeft hij deze de instructie gegeven om te blijven vliegen totdat de Jetblue 1858 zou zijn vertrokken, en vervolgens aan de piloot van de Jetblue 1858, die alleen Engels sprak, de klaring tot vertrek gegeven.

De opstellers van de ‘experten verklaring’ komen tot de conclusie dat klager, door te handelen als hiervoor weergegeven, de door hem aanvankelijk gemaakte fout van het geven van klaring tot landen aan YV 2254 adequaat en snel heeft geïdentificeerd en vervolgens op correcte wijze heeft gecorrigeerd.

2.3.2

Blijkens de aan de besteden beschikking ten grondslag liggende stukken stelt verweerder zich op het standpunt dat klager niet adequaat heeft opgetreden en dat hij, toen hij zich realiseerde dat zich een potentiële gevaarlijke situatie voordeed, ten onrechte aan de piloot van YV 2254 de instructie gaf zijn landing op baan 11 voort te zetten. Pas nadat de piloten van beide toestellen aangaven een andere oplossing te wensen, heeft klager die andere oplossing gekozen, aldus verweerder.

2.3.3

Naar het oordeel van het gerecht bieden de gedingstukken onvoldoende duidelijke aanknopingspunten om vast te stellen welk van beide lezingen van de gebeurtenissen op 3 september 2013 de juiste is. Echter, ook indien de lezing van verweerder wordt gevolgd, kan de conclusie worden getrokken dat klager, nadat hij zijn fout had onderkend, in een zeer korte tijdspanne tot een oplossing is gekomen, voordat het luchtverkeer daadwerkelijk in gevaar werd gebracht. Dit enkele incident rechtvaardigt dan ook niet de oplegging van de zwaarste disciplinaire straf (onvoorwaardelijk ontslag) die aan een ambtenaar kan worden opgelegd. Dat klager zich gedurende zijn lange staat van dienst eerder een dergelijke fout heeft gemaakt, is verder niet gebleken. Voor zover in de bestreden beschikking (tevens) is beoogd tot uitdrukking te brengen dat klager er ten onrechte geen blijk van geeft de ernst van zijn fout in te zien – de bewoordingen van de bestreden beschikking zijn wat de precieze aard van het verwijt aan klager betreft niet geheel helder – vindt het gerecht voor dat verwijt onvoldoende concrete aanknopingspunten. De enkele omstandigheid dat klagers lezing enigszins afwijkt van die van verweerder, is daarvoor onvoldoende.

2.3.4

Het vorenstaande brengt mee dat verweerder evenmin voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat klager de geschiktheid en bekwaamheid ontbeert om zijn functie van luchtverkeersleider uit te oefenen.

2.4

De conclusie is derhalve dat de bestreden beschikking niet is voorzien van een deugdelijke motivering en deswege moet worden vernietigd. Het bezwaar is gegrond.

2.5

Verweerder dient op de na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

2.6

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het landsbesluit van 24 juli 2015, no. 30;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 11 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).