Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:9

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1040 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden beschikking heeft verweerder klager de disciplinaire straf van terugzetting in bezoldiging voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen voor de duur van twee jaren met ingang van de eerste maand volgende na dagtekening van dit landsbesluit opgelegd. Klager betoogt dat de bestreden beschikking in strijd is gegeven met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Klager betoogt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2017

GAZA nr. 1040 van 2016

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. G.B. Wever,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 13 april 2016, no. 13, (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder klager de disciplinaire straf van terugzetting in bezoldiging voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen voor de duur van twee jaren met ingang van de eerste maand volgende na dagtekening van dit landsbesluit opgelegd.

Op 13 mei 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

Op 28 juni 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Op 26 september 2016 heeft klager nadere stukken ingediend.

Op 28 september, 29 september en 5 december 2016 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2016 en 16 januari 2017, waar klager, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, bijgestaan door mr. B. Every, werkzaam in dienst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), en C. Geerman, werkzaam bij de Departamento di Recurso Humano (DRH) zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder e, kan de disciplinaire straf terugzetting in bezoldiging of stilstand van periodieke verhoging van bezoldiging worden toegepast.

Ingevolge artikel 83, derde lid, aanhef en onder d, geschiedt terugzetting in bezoldiging voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen.

2.2

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager, werkzaam als chef financiële administratie bij de Afdeling Financiën van de SVB, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat volgens een rapport van Compliance & Forensic Services Caribbean N.V. (hierna: FSC) van 29 januari 2015 (hierna: het rapport) in mei 2014 onregelmatigheden hebben plaatsgevonden bij deze afdeling. Daarbij is door een arbeidscontractant, werkzaam als ondergeschikte onder klager, (hierna: de arbeidscontractant) een geldbedrag uit de zogenoemde “Diensten aan Derden (DAD)-kas” onrechtmatig onttrokken. De instroom van gelden in het DAD-fonds hield verband met de keuringen die de SVB namens de directie Openbaar Personenvervoer is gaan verrichten, nadat zij daartoe op 1 maart 2011 door de minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur was aangewezen. De arbeidscontractant heeft gedurende een bepaalde periode nagelaten boekingen van inkomende gelden ten behoeve van het DAD-fonds te doen en deze gelden te storten. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar voormeld rapport op het standpunt gesteld dat deze onregelmatigheden mede hebben kunnen plaatsvinden door verwijtbare nalatigheid van klager. Klager wordt onder meer verweten dat hij heeft nagelaten controles uit te voeren en af te dwingen bij de arbeidscontractant en dat hij heeft nagelaten zijn direct leidinggevende en/of de directie op de hoogte te stellen van het achterwege blijven van boekingen en stortingen.

2.3

Klager betoogt dat de bestreden beschikking in strijd is gegeven met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om kennis te nemen van het rapport, hetgeen noodzakelijk was om zich tegenover verweerder te verantwoorden, voorafgaand aan het door verweerder opleggen van de straf. In het bijzonder voert klager in dit verband aan dat bij hem de vrees bestond dat de verklaringen van vier van zijn ondergeschikten, die in het kader van het opstellen van het rapport zijn gehoord, op onjuiste wijze in het rapport zijn weergegeven. Ter zitting heeft klager het betoog in zoverre aangevuld dat de bestreden beschikking volgens hem in strijd met artikel 84, derde lid, van de Lma is gegeven, nu hij niet in de gelegenheid is gesteld van het rapport kennis te nemen.

2.4

Dit betoog faalt. Het rapport is in opdracht van de SVB opgesteld en door FSC onder het betrachten van vertrouwelijkheid aan haar uitgebracht. Aangezien het rapport geen ambtelijk rapport is, in de zin van artikel 84, derde lid, van de Lma, was verweerder niet gehouden het rapport desgewenst aan klager te doen toekomen. Dat neemt niet weg dat een betrokkene in de procedure voorafgaand aan het geven van een beschikking, waarbij hem een disciplinaire straf wordt opgelegd, door het desbetreffende bevoegd gezag in de gelegenheid dient te worden gesteld om effectief commentaar te leveren op hetgeen hem wordt verweten. Het gerecht is van oordeel dat klager in dit geval voldoende in de gelegenheid is gesteld om effectief commentaar te leveren op hetgeen hem wordt verweten, zoals dat uiteindelijk aan de bestreden beschikking ten grondslag is gelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de directeur van de SVB klager bij brief van 17 april 2015 een aantal vragen ter beantwoording heeft voorgelegd, waarin onder meer aan klager werd voorgehouden, wat uit het rapport valt af te leiden over de onregelmatigheden die hebben plaatsgevonden en het handelen van klager daarbij. Bij brief van 12 mei 2015 heeft klager deze vragen beantwoord. Voorts heeft verweerder klager bij brief van 16 juni 2015 in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden tegen hetgeen hem op grond van de bevindingen van het rapport werd verweten. Bij brief van 2 juli 2015 heeft klager van die gelegenheid gebruik gemaakt. Voor het kunnen leveren van effectief commentaar, is voorts niet vereist dat klager de beschikking had moeten hebben over alle bescheiden, in dit geval verslagen van de door zijn ondergeschikten afgelegde verklaringen, waarop het rapport mede is gebaseerd. Klager heeft niet nader gemotiveerd dat de hem voorgelegde bevindingen zodanig onvoldoende inzichtelijk zijn, dat verweerder het rapport niet zonder klager inzage te geven in de afgelegde verklaringen aan de bestreden beschikking ten grondslag kon leggen.

2.5

Klager betoogt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Weliswaar heeft hij nagelaten de boekingen en stortingen van de DAD-gelden door de arbeidscontractant te controleren, maar dit kan hem om de volgende redenen niet worden toegerekend. De arbeidscontractant had grote achterstanden, tussen klager en zijn direct leidinggevende, het hoofd van de Afdeling Financiën, bestond een verstoorde werkverhouding, waardoor hij over de arbeidscontractant geen gezag had, en er was ter zake geen procedure vastgelegd, om welke hij herhaaldelijk bij zijn leidinggevenden heeft verzocht, aldus klager. Deze omstandigheden brengen met zich dat controle niet mogelijk was.

Voorts heeft hij weliswaar niet aan zijn leidinggevenden te kennen gegeven dat hij ter zake geen controles uitoefende, maar hij heeft hen wel gewezen op de risico’s van het ontbreken van een procedure, aldus klager.

2.6

Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat klager heeft nagelaten controles uit te voeren en af te dwingen bij de arbeidscontractant en dat hij zijn direct leidinggevende en/of de directie niet op de hoogte heeft gebracht van het achterwege blijven van boekingen en stortingen van de DAD-gelden. Dit nalaten is in strijd met de plichten en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de functie van klager en kan klager derhalve worden verweten. Het gerecht overweegt dat in het in bezwaar aangevoerde geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat verweerder ten onrechte dit nalaten heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een leidinggevende positie, zoals die van klager, met zich brengt dat van betrokkene gevergd mag worden dat deze ook onder minder gunstige werkomstandigheden zijn taken uitvoert. Een en ander vloeit voort uit de plichten en verantwoordelijkheden die de functie van chef van een afdeling met zich brengen. Voorts is zijdens verweerder ter zitting onbetwist gesteld dat het ondanks voormelde belemmerende omstandigheden, zoals het ontbreken van controleprocedures, voor klager niettemin mogelijk was om enige vorm van controle uit te oefenen. Zo werd aan klager ieder kwartaal een overzicht van de verrichtte keuringen overgelegd en bevonden de facturen voor deze keuringen zich op de afdeling, zodat de mogelijkheid bestond om aan de hand daarvan kruiscontroles uit te voeren. Voorts bestond de mogelijkheid om de ten behoeve van de ontvangst van de DAD-gelden op de afdeling gebruikte kas te controleren, aldus verweerder nog steeds onbetwist.

2.7

Klager betoogt verder dat de bestreden beschikking in strijd met het evenredigheidsbeginsel is gegeven. De opgelegde sanctie is, gegeven hetgeen hem wordt verweten, disproportioneel, aldus klager. In dit verband verwijst hij naar het rapport, waarin is vermeld dat de verwijtbaarheid van het nalaten controles uit te voeren en/of af te dwingen bij de arbeidscontractant en zijn direct leidinggevende en/of de directie op de hoogte te brengen van het achterwege blijven van boekingen en stortingen, hetgeen in strijd is met de plicht van uit zijn functie en verantwoordelijkheden, bezien dient te worden in het kader van de fricties tussen klager en zijn direct leidinggevende.

2.8

Dit betoog faalt evenzeer. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat en waarom hij geen aanleiding heeft gezien om bij het opleggen van de straf rekening te houden met de verstoorde werkverhouding tussen klager en zijn direct leidinggevende. Volgens verweerder neemt die verstoorde werkverhouding niet weg dat klager, als direct leidinggevende van de arbeidscontractant, uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor het toezicht op diens handelen. Gegeven deze motivering en gelet op de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim, is de aan klager opgelegde disciplinaire straf naar het oordeel van het gerecht niet onevenredig.

2.9

Het bezwaar is ongegrond.

2.10

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken op maandag 6 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).