Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:85

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
AUA201700153
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vast staat dat klaagster negatief is beoordeeld voor haar werkzaamheden. Dat deze beoordeling na afloop van de beoordelingsperiode heeft plaatsgevonden maakt niet dat verweerder zich niet op het standpunt mocht stellen dat klaagster niet voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Verweerder heeft zich voldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat klaagster niet voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 11 september 2017

AUA201700153

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 16 juni 2015, no. 73 heeft verweerder klaagster met ingang van 1 november 2012 bevorderd in de functie van ploegcommandant met vaststelling van de bezoldiging op schaal 8 dienstjaar 5.

Bij uitspraak van 2 november 2015, in zaak nr. GAZA 1570 van 2015, heeft het gerecht het daartegen door klaagster gemaakt bezwaar gegrond verklaard, dat landsbesluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij landsbesluit van 28 december 2016, no. 3 heeft verweerder klaagster met ingang van 1 november 2012 bevorderd in de functie van ploegcommandant met vaststelling van de bezoldiging op schaal 8 dienstjaar 5.

Daartegen heeft klaagster op 2 maart 2017 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 31 maart 2017 een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2017, waar klaagster, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La) dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klaagster heeft haar bezwaarschrift na de in artikel 41, eerste lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend. Zij heeft echter onbetwist gesteld de bestreden beschikking eerst op 6 februari 2017 te hebben ontvangen. Dit betekent dat het bezwaar is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klaagster is ontvankelijk in haar bezwaar.

2.3

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor een bevordering naar schaal 8 in de functie van ploegcommandant is vereist: het behaald hebben van de Middenkader opleiding, een goede beoordeling en een dienstanciënniteit van vier jaar.

2.4

In zijn uitspraak van 2 november 2015 heeft het gerecht, voor zover thans van belang, overwogen dat uit de wettelijke bepalingen, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, volgt dat een ambtenaar in aanmerking komt voor een bevordering wanneer hij voldoet aan alle daarvoor geldende eisen, en dat hij niet kan worden bevorderd indien hij niet voldoet aan een of meer van de daarvoor geldende eisen. In het laatste geval komt die ambtenaar ook niet voor een bevordering in aanmerking. Dat een bevordering kan worden “vertraagd”, wanneer de ambtenaar voldoet aan alle geldende bevorderingseisen, vindt, anders dan in het kader van een disciplinaire straf, geen steun in de wet of enig beleidsregel. Het gerecht is voorts tot het oordeel gekomen dat de aan de ingangsdatum van de bevordering van klaagster gegeven motivering, te weten dat de bevordering wordt vertraagd wegens niet goed functioneren van klaagster, die beslissing niet kan dragen, nu onduidelijk is gebleven of zij op 1 november 2011 aan alle bevorderingseisen voldeed.

2.5

Klaagster betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van het gerecht van 2 november 2015, dat verweerder opnieuw zonder wettelijke grondslag haar bevordering heeft vertraagd. Met ingang van 1 november 2011 kwam zij reeds in aanmerking voor bevordering, zoals verzocht, aldus klaagster.

2.6

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klaagster op 1 november 2011 niet voldeed aan de bevorderingseisen. Omdat zij over de duur van de beoordelingstermijn 414 dagen arbeidsongeschikt was, voldeed klaagster niet aan het vereiste van een dienstanciënniteit van vier jaar. Voorts werd klaagster bij een op 15 november 2011 met haar gehouden beoordelingsgesprek negatief beoordeeld, waardoor zij op 1 november 2011 evenmin voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Om deze redenen is de bevordering met een jaar vertraagd, waardoor deze per 1 november 2012 is ingegaan, aldus verweerder.

2.7

Vast staat dat klaagster op 15 november 2011 negatief is beoordeeld voor haar werkzaamheden in de functie van ploegcommandant gedurende de periode van 1 november 2007 tot en met 1 november 2011. Dat deze beoordeling na afloop van de beoordelingsperiode heeft plaatsgevonden maakt niet dat verweerder zich niet op het standpunt mocht stellen dat klaagster op 1 november 2011 niet voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Ter zitting heeft verweerder het bij de bestreden beschikking ingenomen standpunt dat klaagster op 1 november 2011 niet voldoet aan het vereiste van een goede beoordeling aldus nader toegelicht dat omdat klaagster voorafgaand aan de periode waarop het verzoek om bevordering ziet gedurende een periode van 414 dagen arbeidsongeschikt was en bovendien om gezondheidsredenen gedurende een periode van zeven maanden in een andere functie overgeplaatst is geweest, op een eerder moment geen oordeel kon worden gegeven omtrent haar functioneren. Onder deze op zichzelf niet betwiste omstandigheden is het gerecht van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eerst op 15 november 2011 een oordeel kon worden gegeven omtrent het functioneren van klaagster in de functie van ploegcommandant.
Dat brengt met zich dat verweerder zich voldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat klaagster met ingang van 1 november 2011 niet voldeed aan het vereiste van een goede beoordeling. Gelet hierop en gegeven de eerdere overwegingen van het gerecht ter zake, zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, kon appellante met ingang van 1 november 2011 niet worden bevorderd, zoals verzocht. Het betoog faalt reeds om deze reden.

2.8

Het bezwaar is ongegrond.

2.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 11 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).