Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:76

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
AUA201600488
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - Gegeven de eerdere overwegingen van het gerecht ter zake, zoals hiervoor onder 2.2.1 weergegeven, heeft verweerder zich opnieuw onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de desbetreffende functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11. - het bezwaar wordt gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

AUA201600488

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 27 november 2014 heeft verweerder klager met ingang van 1 juli 2010 bevorderd naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse met vaststelling van de bezoldiging op schaal 11 dienstjaar 5.

Bij uitspraak van 22 juni 2015, in zaak nr. GAZA 208 van 2015, heeft het gerecht het daartegen door klager gemaakt bezwaar gegrond verklaard, dat landsbesluit vernietigd en bepaald dat de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport (hierna: de minister) een nieuwe beslissing dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij landsbesluit van 24 mei 2016, no. 9 heeft verweerder klager met ingang van 1 augustus 2009 bevorderd naar de rang van hoofdcommies 1ste klasse met vaststelling van de bezoldiging op schaal 11 dienstjaar 5.

Bij brief van 27 mei 2016 heeft de minister klager te kennen gegeven dat zijn verzoek om bevordering naar de rang van refendaris, schaal 12, niet voor inwilliging vatbaar is.

Daartegen heeft klager op 7 juli 2016 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 26 september 2016 een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar klager, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ambtshalve overweegt het gerecht als volgt.

2.1.1

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan.

2.1.2

Het landbesluit van 24 mei 2016 is gegeven naar aanleiding van een verzoek van klager van 27 juli 2012, waarbij hij de minister heeft verzocht hem met ingang van 1 januari 2004 te bevorderen naar schaal 11 en met ingang van 1 januari 2009 naar schaal 12.

2.1.3

In zijn uitspraken van 26 juli 2016, RvBAz 2014/71419, en van 16 februari 2017, RvBAz 2015/74637, heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (RvBAz) overwogen dat de uiteindelijke bevoegdheid om te beschikken over het al dan niet bevorderen alleen de Gouverneur in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag toekomt, ook al behoeft hij daartoe de medewerking van de verantwoordelijk minister.

2.1.4

Bij het landsbesluit van 24 mei 2016 heeft verweerder, in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag, op het verzoek van klager van 27 juli 2012 diens rechtspositie als ambtenaar voor de periode met ingang van 1 augustus 2009 nader vastgesteld. Nu klager onder meer heeft verzocht om bevordering naar schaal 12 en hij bij dat landsbesluit is bevorderd naar schaal 11, is dat mede op te vatten als de gedeeltelijke afwijzing van het bevorderingsverzoek.

2.1.5

Anders dan voorheen is het gerecht, voormelde rechtspraak van de RvBAz in aanmerking genomen, van oordeel dat klager tegen het landsbesluit van 24 mei 2016 in volle omvang kon opkomen, derhalve ook tegen voormelde gedeeltelijke afwijzing. Weliswaar heeft klager in het bezwaarschrift, in navolging van voormelde uitspraak van het gerecht van 22 juni 2015, vermeld dat dat gericht is tegen voormelde brief van de minister van 27 mei 2016, maar het gerecht begrijpt het bezwaar, dat ziet op de afwijzing van zijn verzoek om hem naar schaal 12 te bevorderen, als te zijn gericht tegen het landsbesluit van verweerder van 24 mei 2016.

2.2

Klager betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van het gerecht van 22 juni 2015, dat verweerder zijn verzoek om hem naar schaal 12 te bevorderen opnieuw onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd heeft afgewezen.

2.2.1

In zijn uitspraak van 22 juni 2015 heeft het gerecht, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:
‘2.10 Ten aanzien van de bevordering naar de rang van referendaris op het niveau van schaal 12, overweegt het gerecht als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door klager beklede functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11 en dat de bevordering naar schaal 12 van de voorganger van klager op een fout berust.
2.11 Klagers stelling dat de aan hem onderschikte keurmeesters bij de Veterinaire Dienst zijn gewaardeerd op het niveau van (maximaal) schaal 11, heeft verweerder naar het oordeel van het gerecht onvoldoende gemotiveerd weersproken. De door verweerder bij de contramemorie gevoegde stukken met betrekking tot de ambtenaren [X] en [Y], lijken er immers op te duiden dat zij werkzaam waren in de functie van keurmeester bij de Veterinaire Dienst en als zodanig op 20 april 2004 zijn benoemd in de rang van hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11). In aanmerking genomen het gebruikelijke verschil in rang tussen leidinggevenden en ondergeschikten, is dit een omstandigheid die vraagtekens oproept met betrekking tot de juistheid van de waardering van de door klager beklede functie van Hoofd Hygiënische Dienst. Een en ander klemt te meer daar uit de adviezen van de Directie Volksgezondheid van 15 november 2013 en de Departamento Recurso Humano (DRH) van 17 januari 2014 niet blijkt dat daarbij acht is geslagen op het op 17 mei 2013 ingevulde functie inventarisatie formulier (fif) met betrekking tot de door klager vervulde functie. Van de juistheid van verweerders ter zitting geuite veronderstelling dat dit wel het geval zal zijn geweest, kan, zonder nader bewijs, niet worden uitgegaan.
2.12 Het voorgaande, in samenhang genomen met de omstandigheid dat de voorganger van klager wel werd bevorderd naar schaal 12, terwijl verweerder daar geen andere uitleg voor heeft kunnen geven dan dat dit op een fout berust, doet het gerecht concluderen dat onvoldoende is komen vast te staan dat de door klager bekleedde functie terecht is gewaardeerd op het niveau van maximaal schaal 11. De beslissing van verweerder om klager niet te bevorderen naar schaal 12 lijdt derhalve aan een motiveringsgebrek. Ook deze grond van klagers bezwaar treft doel.”

2.2.2

Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de door klager beklede functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11. In de contramemorie en ter zitting heeft verweerder de nadere toelichting gegeven dat de bevordering van de voorganger van klager naar schaal 12 op een fout berust. In dit verband heeft verweerder verwezen naar het landsbesluit waarbij de opvolger van klager in de desbetreffende functie is geplaatst, waarin is vermeld dat de functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11.

2.2.3

Gegeven de eerdere overwegingen van het gerecht ter zake, zoals hiervoor onder 2.2.1 weergegeven, heeft verweerder zich opnieuw onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de desbetreffende functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 11. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verweerder ook thans klagers stelling dat de aan hem ondergeschikte keurmeesters bij de Veterinaire Dienst maximaal zijn gewaardeerd op het niveau van schaal 11 onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Tevens heeft verweerder ook thans niet aannemelijk gemaakt dat bij het opstellen van de adviezen van de Directie Volksgezondheid van 15 november 2013 en de Departamento Recurso Humano van 17 januari 2014 acht is geslagen op het op 17 mei 2013 ingevulde functie- inventarisatieformulier met betrekking tot de door klager vervulde functie.
Het betoog slaagt.

2.3

Het bezwaar is gegrond. Het landsbesluit van 24 mei 2016, no. 9 dient, voor zover door klager aangevallen, te worden vernietigd.

2.4

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het landsbesluit van 24 mei 2016, no. 9, voor zover door klager aangevallen;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 28 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).