Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:71

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 925 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - Verweerder zal alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klagers. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

GAZA nr. 925 van 2015

GERECHT IN AMBTENARENRECHT VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

1 [klager 1],

2. [klager 2],

3. [klager 3],

4. [klager 4],

5. [klager 5],

6. [klager 6],

7. [klager 7],

8. [klager 8],

9. [klager 9],

10. [klager 10],

11. [klager 11],

wonende te Aruba,

KLAGERS,

gemachtigde: klager [klager 1],

gericht tegen:

de minister van Financiën en Overheidsorganisatie,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 27 februari 2015 hebben klagers aan verweerder verzocht om restitutie van de ingehouden overwerkvergoeding over de maand februari 2012 en om uitbetaling van overwerkvergoeding over de maanden maart en april 2012.

Tegen het uitblijven van een beschikking zijdens verweerder op hun brief van 27 februari 2015 hebben klagers op 5 mei 2015 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 december 2015, alwaar zijn verschenen klagers sub 1, 4 en 10, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Op 11 april 2016 heeft verweerder bij akte te kennen gegeven dat nadere besluitvorming door verweerder niet heeft plaatsgevonden en dat uitspraak wordt gewenst.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La) dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een weigering om te beschikken. Blijkens de memorie van toelichting op deze bepaling is hiermee beoogd de ambtenaar niet alleen te beschermen tegen daden, maar ook tegen verzuim, nalatigheid, achterwege blijven van handelingen of beschikkingen, opzettelijk of uit zorgeloosheid.

2.2

Artikel 41, eerste lid van de La bepaalt, zover hier van belang, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

2.3

Het bezwaarschrift is ingediend ruim twee maanden na indiening van het verzoek van 27 februari 2015. In het algemeen is een dergelijke termijn te kort om aan te nemen dat een weigering te beslissen is ontstaan. Gebleken is evenwel dat het onderwerp van het verzoek reeds sedert in elk geval 2013 voorwerp was van overleg tussen de Korpsleiding, de minister van Justitie en de directie Financiën. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het gerecht het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek tijdig ingediend.

2.4

Nu verweerder nog altijd niet inhoudelijk op klaagsters verzoek heeft beslist, is het bezwaar gegrond en zal de bestreden (fictieve) beschikking nietig worden verklaard. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368, waaruit volgt dat de weigering te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is derhalve (primair) een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Verweerder zal derhalve alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klager. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

2.3

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt de bestreden (fictieve) weigering om te beslissen op het verzoek van klagers van 27 februari 2015;

draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak schriftelijk op het verzoek van klaagster te beschikken.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 28 augustus 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).