Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:67

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
AUA201600627
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - Onder deze omstandigheden, die klaagster niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, valt niet in te zien dat klaagster door de bestreden beschikking wezenlijk wordt geraakt in haar rechtspositie als ambtenaar. Niet aannemelijk is immers dat de bestreden beschikking negatieve gevolgen zal hebben voor het verloop van haar carrièrelijn en haar bezoldiging. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen komen tot zijn beslissing, zoals hij dat heeft gedaan. Het betoog faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 28 augustus 2017

AUA201600627

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonend in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA ,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 24 oktober 2016, no. 36 heeft verweerder klaagster met ingang van 1 maart 2009 geplaatst in de functie van juridisch/bestuurlijk medewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA) en met ingang van 1 maart 2015 bevorderd naar de rang van administrateur met vaststelling van de bezoldiging op schaal 13.

Daartegen heeft klaagster bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft geen contramemorie ingediend.

Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar klaagster, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Klaagster bekleedt de functie van jurist bij het Instituto di Alarma i Seguridat Aruba (IASA), afdeling Guarda Nos Costa (GNC), welke functie voor 1 augustus 2011 maximaal was gewaardeerd op het niveau van schaal 13. Met ingang van die datum is de afdeling GNC onder het KPA komen te ressorteren. In de formatie en taakstelling van het IASA hebben diverse aanpassingen plaatsgevonden, onder meer dat voor de functie van jurist aldaar een minder omvangrijk takenpakket is vastgelegd, welk takenpakket waardering in schaal 13 niet meer rechtvaardigt. Nu klaagster feitelijk werkzaam is voor het KPA en haar plaatsing bij een gelijkwaardige functie bij deze dienst niet is vastgelegd, wordt klaagster geplaatst in de functie van juridisch/bestuurlijk medewerker bij het KPA. Ondanks dat deze functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 12, heeft verweerder evenwel aanleiding gezien klaagster bij de bestreden beschikking bij hoge uitzindering te bevorderen naar schaal 13, omdat hij bij landsbesluit van 22 juli 2014, no. 4 heeft overwogen dat klaagster de functie van jurist bij GNC bekleedt, welke functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 13, en dat landsbesluit op dat punt nimmer is aangepast.

2.2

Klaagster betoogt dat zij ten onrechte geplaatst is in de functie van juridisch/bestuurlijk medewerker bij het KPA. Volgens klaagster is zij nog altijd werkzaam bij het IASA en heeft zij nimmer geressorteerd onder het KPA.

2.3

Bij landbesluit van 3 september 2009, no. 14 heeft verweerder klaagster aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij het IASA in de rang van adjunct‑refendaris met vaststelling van de bezoldiging op schaal 9 en daarbij geplaatst in de functie van jurist bij het IASA.

Bij landsbesluit van 8 april 2010, no. 35 heeft verweerder appellante in vaste dienst benoemd.

Bij landsbesluit van 14 november 2011, no. 11 heeft verweerder appellante bevorderd naar de rang van refendaris 2e klasse met vaststelling van de bezoldiging op schaal 10.

Bij brief van 3 februari 2012 heeft de minister van Justitie en Onderwijs klaagster te kennen gegeven dat het IASA zal worden opgeheven, dat het vreemdelingentoezicht onder het KPA zal komen te ressorteren en dat zij is geselecteerd om met ingang van 1 maart 2012 over te gaan in de nieuwe organisatie vreemdelingentoezicht.

Bij landsbesluit van 22 juli 2014, no. 4 heeft verweerder klaagster bevorderd naar de rang van refendaris met vaststelling van de bezoldiging op schaal 12 en daarbij aangetekend dat GNC met ingang van 1 augustus 2011 onder het KPA is komen te ressorteren. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat klaagster de functie van jurist bij het KPA bekleedt, welke functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 13. Tegen laatstvermeld landsbesluit heeft klaagster geen rechtsmiddelen aangewend.

Ter zitting heeft klaagster desgevraagd te kennen gegeven feitelijk nog altijd onder IASA te ressorteren, althans adviezen uit te brengen aan het hoofd van IASA.

Verweerder heeft daarop te kennen gegeven dat IASA weliswaar feitelijk nog bestaat, maar dat haar takenpakket is ingekrompen. De desbetreffende werkzaamheden vallen nu onder het KPA, afdeling GNC, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder ter zitting nogmaals te kennen gegeven dat hij, hoewel de feitelijke werkzaamheden daartoe geen aanleiding geven, met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel desondanks heeft besloten klaagster te bevorderen naar schaal 13.

Onder deze omstandigheden, die klaagster niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, valt niet in te zien dat klaagster door de bestreden beschikking wezenlijk wordt geraakt in haar rechtspositie als ambtenaar. Niet aannemelijk is immers dat de bestreden beschikking negatieve gevolgen zal hebben voor het verloop van haar carrièrelijn en haar bezoldiging. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen komen tot zijn beslissing, zoals hij dat heeft gedaan. Het betoog faalt.

2.4

Het bezwaar is ongegrond.

2.5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 28 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).