Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:66

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 3116 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzende beslissing op klagers verzoek niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het bezwaar van klager is gegrond, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 augustus 2017

GAZA nr. 3116 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

de minister van Justitie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 29 oktober 2014 heeft verweerder aan klager te kennen gegeven dat zijn verzoek om met ingang van 1 september 2013 te worden bevorderd naar schaal 6 niet voor inwilliging vatbaar is.

Op 17 december 2014 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

De behandeling ter zitting van het bezwaar van klager heeft plaatsgevonden op 6 juni 2016 en 20 juni 2016, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager heeft onbetwist gesteld dat hij de bestreden beschikking eerst op 19 november 2014 heeft ontvangen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

2.2

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan.

2.3

In zijn uitspraken van 26 juli 2016, RvBAz 2014/71419, en van 16 februari 2017, RvBAz 2015/74637, heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken voorop gesteld dat de inhoudelijke beslissing op een verzoek om bevordering van een ambtenaar alleen door de Gouverneur bevoegd genomen kan worden. Dat houdt in dat ook de afwijzing van een dergelijk verzoek aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden.

Dit betekent dat de in de brief van verweerder van 29 oktober 2014 vervatte afwijzende beslissing onbevoegd is genomen en reeds op grond hiervan vernietigd dient te worden.

2.4

Het gerecht overweegt bovendien dat, ook indien de bestreden beschikking bevoegdelijk zou zijn genomen, deze niet in stand had kunnen blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.4.1

Aan de bestreden beschikking is ten grondslag gelegd de vaststelling dat klager volgens ambtsberichten van zijn hoofd van dienst nog niet op het vereiste niveau functioneert en ruim 931 dagen arbeidsongeschikt was gedurende de periode van 1 februari 2010 tot en met 19 augustus 2012.

2.4.2

Klager ontkent dat hij gedurende de gehele in de bestreden beschikking genoemde periode arbeidsongeschikt was. Hij heeft daartoe gewezen op het landsbesluit van 13 september 2012, waarbij hij met ingang van 3 november 2011, nadat hij volledig arbeidsgeschikt is bevonden, weer met toepassing van de artikel 36 en 37 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren in activiteit is hersteld. Klager heeft voorts aangevoerd dat er omtrent zijn functioneren geen beoordeling heeft plaatsgevonden.

2.4.3

Het gerecht stelt vast dat het landsbesluit van 3 november 2011 zich niet verdraagt met de inhoud van de bestreden beschikking. Een sluitende verklaring voor deze discrepantie heeft verweerder vooralsnog niet kunnen geven. De overgelegde uitdraaien uit klagers verzuimhistorie acht het gerecht in dit verband onvoldoende overtuigend. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit het landsbesluit voorts naar voren komt dat klager zich, nadat hij zich op 3 november 2011 met de medische verklaring dat hij weer volledig arbeidsgeschikt was, heeft gemeld bij zijn diensthoofd om weer aan het werk te gaan, doch dat hem door het diensthoofd de toegang tot het werk werd geweigerd. Nu uit het landsbesluit bovendien naar voren komt dat het feit dat hem door zijn diensthoofd de toegang tot het werk werd geweigerd, niet aan klager kan worden tegengeworpen, kan zonder nadere uitleg niet enkel op grond van het – niet nader onderbouwde – ambtsbericht van klagers hoofd van dienst worden aangenomen dat hij (nog) onvoldoende functioneert. Deze uitleg ontbreekt.

2.4.4

Het vorenstaande leidt tot de conclusie de afwijzende beslissing op klagers verzoek niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5

De slotsom is dat het bezwaar van klager gegrond is, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

2.6

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat door het bevoegd gezag (de Gouverneur) alsnog een beslissing op klagers verzoek tot bevordering zal moeten worden genomen. Het gerecht kan de Gouverneur daartoe evenwel geen last geven, nu deze niet als verweerder in dit geding is betrokken. Klager mag er evenwel van uitgaan dat, indien de Gouverneur niet binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak op klagers verzoek heeft beschikt, een zogenaamde fictieve weigering tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La. Hij kan daartegen alsdan binnen dertig dagen bezwaar maken bij het gerecht

2.7

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

2.8

Beslist wordt als volgt.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt de afwijzende beschikking van verweerder van 29 oktober 2014.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 21 augustus 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).