Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:65

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 2718 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht is met verweerder van oordeel dat de uitspraak niet zonder meer dwingt tot de conclusie dat verweerder de bevordering van klager niet pas met ingang van 1 augustus 2013 mocht laten ingaan. Voor zover klager anders wenst te betogen, berust zijn standpunt op een onjuiste lezing van voormelde uitspraak. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat van gelijke gevallen geen sprake is. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 21 augustus 2017

GAZA nr. 2718 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mr. J.O. Senchi en A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 9 oktober 2015, no. 18, is klager met ingang van 1 augustus 2013 bevorderd in de functie van ploegcommandant binnendienst (schaal 8, dienstjaar 9) bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba.

Hiertegen heeft klager op 26 november 2016 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

De behandeling ter zitting van het bezwaar van klager heeft plaatsgevonden op 24 april 2016, 20 juni 2016 en 22 augustus 2016, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigden, voornoemd.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager bestrijdt de juistheid van de in het bestreden landsbesluit op 1 augustus 2013 bepaalde ingangsdatum van zijn bevordering naar salarisschaal 8. Klager stelt zich op het standpunt dat die ingangsdatum niet 1 juli 2012 dient te zijn maar 1 juli 2006, althans 1 juli 2008.

2.2

Aan de bestreden beschikking ligt als motivering overweging ten grondslag dat klager op 6 juli 2013 het diploma Midden Kader Opleiding heeft behaald en derhalve (pas) vanaf dat moment in aan de vereisten voldoet voor bevordering naar schaal 8.

2.3

Klager betwist op zichzelf niet dat hij pas met het behalen van voormeld diploma aan het opleidingsvereiste voor bevordering naar schaal 8 voldoet, doch stelt zich op het standpunt dat verweerder, door ten aanzien van hem onverkort aan dit opleidingsvereiste vast te houden, handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe gewezen – onder verwijzing naar de uitspraak van dit gerecht van 25 augustus 2014, GAZA nr. 2897, gegeven op het bezwaar van een collega – dat verweerder ten aanzien van twee andere collega’s met voorbijgaan aan het opleidingsvereiste tot bevordering naar schaal 8 is overgegaan.

2.4

In zijn uitspraak van 25 augustus 2014 heeft het gerecht – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

2.3

Tussen partijen is niet in geschil dat als vereisten om in de door klager vervulde functie van ploegcommandant binnendienst naar schaal 8 te kunnen worden bevorderd gelden: vier jaren ervaring in de functie en het bezit van het diploma KO2 (of het daarmee gelijk te stellen diploma Midden Kader Opleiding). Vaststaat voorts dat klager aan laatstgenoemd vereiste pas sinds 15 juni 2012 voldoet. Klager betoogt echter dat hem dit niet kan worden tegengeworpen, nu een aantal collega’s die dezelfde functie als hij vervullen ook met voorbijgaan aan dit vereiste is bevorderd naar schaal 8.

(…)

2.5

Hetgeen verweerder in dit verband naar voren heeft gebracht, kan het gerecht er vooralsnog niet van overtuigen dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Met name is onduidelijk is gebleven om welke redenen de bevordering van klagers collega’s Boekhoudt en Zievinger destijds met voorbijgaan aan voormeld opleidingsvereiste heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat de reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat de desbetreffende opleiding destijds nog niet werd verzorgd, doch hij heeft bij zijn op 18 februari 2014 ingediende akte vermeld dat die opleiding in 2005 wel degelijk is gegeven. Dit maakt de bevordering van in ieder geval Zievinger in 2005 met kennelijk voorbijgaan aan het opleidingsvereiste niet zonder meer begrijpelijk. Overigens heeft klager betoogd dat de onderhavige opleiding pas in 2007 is verzorgd, zodat het niet afgerond hebben van die opleiding op 1 mei 2006 (het tijdstip waarop hij aan het vereiste van vier jaar ervaring in zijn functie voldeed) ook aan hem niet kan worden tegengeworpen. Definitief uitsluitsel omtrent de jaren waarin de opleiding is verzorgd hebben partijen het gerecht (nog) niet kunnen verschaffen. Bij zijn verweer is verweerder verder van de veronderstelling uitgegaan dat bedoelde collega’s de opleiding (kort na hun bevordering) alsnog hebben afgerond. Dit laatste heeft klager gemotiveerd betwist, onder meer door overlegging van een dienstmededeling van 31 januari 2013 van de voorzitter van het managementteam van de Dienst Gevangeniswezen, inhoudende dat onder anderen genoemde collega’s Zievinger en Boekhoudt in de gelegenheid worden gesteld om de Midden Kader Opleiding te gaan volgen. Al met al is er naar het oordeel van het gerecht nog zoveel onduidelijkheid blijven bestaan omtrent de omstandigheden waaronder en gronden waarop de door klager genoemde collega’s destijds zijn bevorderd, dat de bestreden beschikking op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit klemt te meer nu ook de voorzitter van het managementteam, blijkens een aan de minister van Justitie gerichte brief van 10 februari 2014, zich op het standpunt stelt dat de in het bestreden landsbesluit vastgelegde ingangsdatum van klagers bevordering op een fout berust en dat die datum 1 mei 2006 behoort te zijn.

2.3

Het gerecht is met verweerder van oordeel dat de uitspraak van 25 augustus 2014 niet zonder meer dwingt tot de conclusie dat verweerder de bevordering van klager naar schaal 8 niet pas met ingang van 1 augustus 2013 mocht laten ingaan. De hiervoor weergegeven overwegingen in die uitspraak geven verweerder ruimte nader te motiveren waarom ten aanzien van de bevorderingen van de collega’s Boekhoudt en Zievinger geen sprake is van gelijke gevallen die een beroep op het gelijkheidsbeginsel doen slagen. Voor zover klager anders wenst te betogen, berust zijn standpunt op een onjuiste lezing van voormelde uitspraak.

2.4

Verweerder heeft dienaangaande nader uiteengezet dat de bevorderingen van Boekhoudt en Zievinger destijds met voorbijgaan aan het vereiste van het behaald hebben van het diploma KO2 (of het daarmee gelijk te stellen diploma Midden Kader Opleiding) conform een eenmalige beleidsmatige beslissing hebben plaatsgevonden in het kader van de overgang naar een nieuwe rangen- en functiestructuur bij de Dienst Gevangeniswezen. Bij die overgang is een beperkt aantal medewerkers met het oog op het vervullen van vitale, vacante, leidinggevende functies bevorderd, zonder over het daarvoor vereiste diploma te beschikken, aldus verweerder. Klager vervulde een dergelijke functie niet, zodat in zijn geval is vastgehouden aan het opleidingsvereiste en hij derhalve pas met ingang van 1 juli 2012 voor bevordering in aanmerking kwam. Ten aanzien van het in 2014 door de voorzitter van het managementteam ingenomen standpunt dat de desbetreffende collega van klager reeds met ingang van 1 mei 2006 behoort te worden bevorderd, heeft verweerder aangevoerd dat er vanuit het managementteam in die periode wel vaker opmerkelijke bevorderingsvoorstellen zijn gedaan, kennelijk vanuit onbekendheid met de redenen waarom in het verleden ten aanzien van een beperkt aantal personen anders is gehandeld.

2.5

Klager heeft de juistheid van de stelling van verweerder onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit betekent dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van gelijke gevallen geen sprake is en klagers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.6

Het bezwaar is ongegrond.

2.7

Beslist wordt als volgt.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).