Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:62

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1779 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden beschikking heeft verweerder aan klager te kennen gegeven dat hij geen aanspraak kan maken op een uitkering bij wijze van pensioen. De afwijzende beslissing op klagers verzoek kan niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het bezwaar is gegrond, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 21 augustus 2017

GAZA nr. 1779 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager] ,

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de minister van Financiën en Overheidsorganisatie ,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 7 juni 2016 heeft verweerder aan klager te kennen dat hij geen aanspraak kan maken op een uitkering bij wijze van pensioen.

Op 25 juli 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2016 en – nadat verweerder zich op 6 februari 2017 bij akte nader heeft uitgelaten – 6 maart 2017, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager heeft onbetwist gesteld dat hij verweerders brief van 7 juni 2016 eerst op 25 juni 2016 heeft ontvangen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Dit betekent dat moet worden aangenomen dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is derhalve tijdig ingediend.

2.2

Het gerecht stelt vast dat in de brief van 7 juni 2016 de afwijzende beslissing is vervat op klagers verzoek om in aanmerking te komen voor een uitkering bij wijze van pensioen. Klager stelt uit hoofde van onder meer zijn benoeming tot ambtenaar in tijdelijke dienst aanspraak op een dergelijke uitkering te hebben. De brief behelst derhalve een afwijzende beschikking ten aanzien van een – gewezen – ambtenaar als zodanig in de zin van de artikelen 3 en 35 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak, zodat het gerecht in ambtenarenzaken bevoegd is van het bezwaar kennis te nemen. Voor zover verweerder anders heeft willen betogen, faalt dat betoog.

2.3

De wettelijke grondslag voor toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen aan gewezen ambtenaren is gelegen in de Landsverordening leeftijdsgrens ambtenaren (Lvla).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Lvla – voor zover hier van belang – wordt voor de toepassing van deze landsverordening verstaan onder het bevoegde gezag: de Gouverneur, voor wat betreft de landsdienaren.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Lvla wordt aan de op eigen verzoek, zomede aan de op grond van artikel 4 van deze landsverordening dan wel wegens ongeschiktheid voor de verdere dienst uit hoofde van ouderdom of van ziels- of lichaamsziekte of gebreken ontslagen ambtenaar in vaste niet-pensioengerechtigde dienst, die alsdan recht op pensioen zou hebben kunnen doen gelden, indien het door de stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba verzorgde pensioenreglement op hem van toepassing zouden zijn geweest, door het bevoegde gezag een uitkering bij wijze van pensioen toegekend.

2.4

Uit deze wettelijke bepalingen vloeit voort dat het bevoegde gezag inzake toekenning van de door klager gewenste uitkering de Gouverneur is. Dat houdt in dat ook de afwijzing van een verzoek om een dergelijke uitkering aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden. Dit betekent dat de in de brief van verweerder van 7 juni 2016 vervatte afwijzende beslissing onbevoegd is genomen en reeds op grond hiervan vernietigd dient te worden.

2.5

Het gerecht overweegt bovendien dat, ook indien de bestreden beschikking bevoegdelijk zou zijn genomen, deze niet in stand had kunnen blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.5.1

Het gerecht stelt vast dat klager bij onverkorte toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Lvla niet voor toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen in aanmerking komt, nu hij nimmer is benoemd in vaste niet-pensioengerechtigde dienst. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het betoog van klager komt er evenwel op neer dat op grond van vastgesteld beleid een ruimhartiger toepassing wordt gegeven aan artikel 5 van de Lvla dan uit de bewoordingen ervan voortvloeit. Op grond van dat beleid dient ook aan hem een uitkering bij wijze van pensioen te worden verleend, aldus klager. Hij heeft daartoe in het bijzonder gewezen op de nog immer in het Handboek Rechtspositionele Regelingen Land Aruba opgenomen circulaire van 18 mei 1984, vastgesteld door het toenmalige bestuurscollege van het eilandgebied Aruba. Ingevolge deze circulaire zal op de voet van de Lvla “ook aan arbeidscontractanten (werknemers op schriftelijke arbeidsovereenkomst), die niet in het genot zijn van een tegemoetkoming in de kosten van sociale risicodekking, een uitkering bij wijze van pensioen worden toegekend.”

Zijn stelling dat dit beleid nog steeds toepassing vindt heeft hij voorts onderbouwd door overlegging van een tweetal landsbesluiten van 3 augustus 2016 en 15 september 2016, waarbij aan een voormalige arbeidscontractant, respectievelijk een voormalige arbeider in losse dienst een uitkering bij wijze van pensioen is toegekend.

2.5.2

Verweerder heeft dienaangaande betoogd dat de circulaire van 18 mei 1984 had moeten worden ingetrokken daar deze in strijd is met de Lvla zoals die thans luidt. De circulaire heeft derhalve geen betekenis meer, aldus verweerder. Het landsbesluit van 3 augustus 2016 berust derhalve op een incidentele fout. De bij het landsbesluit van 15 september 2016 toegekende uitkering bij wijze van pensioen betreft een voormalige als “arbeider in losse dienst” benoemde persoon. De toekenning van de uitkering bij wijze van pensioen aan deze persoon is niet geschied op grond van de circulaire van 18 mei 1984, maar op het Landsbesluit pensioen arbeiders ten laste van de begroting. Nu klager, anders dan de betrokken persoon, op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was, is volgens verweerder geen sprake van een gelijk geval waaraan klager enige aanspraak kan ontlenen.

2.5.3

Verweerders betoog dat aan de circulaire van 18 mei 1984 geen betekenis meer toekomt overtuigt het gerecht niet. De omstandigheid dat deze zich niet (meer) verdraagt met de Lvla dwingt niet tot die conclusie, omdat de strekking van de circulaire, in ieder geval wat arbeidscontractanten betreft, juist is een buitenwettelijke aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen te vestigen. Mede in het licht hiervan kan niet zonder meer worden aangenomen dat de toekenning bij landsbesluit van 3 augustus 2016 aan een voormalig arbeidscontractant op een vergissing berustte. Daarbij is in aanmerking genomen dat blijkens de door verweerder overgelegde stukken aan die toekenning een uitvoering positief advies van het Departamento Recurso Humano ten grondslag ligt. De enkele mededeling door verweerders gemachtigde dat deze dienst thans de mening is toegedaan dat de toegekende uitkering weer dient te worden ingetrokken, is in dit verband te onbepaald.

2.5.4

Ook de door verweerder gestelde omstandigheid dat ten aanzien van voormalige “losse arbeiders” een afzonderlijke regeling is getroffen in het Landsbesluit pensioen arbeiders ten laste van de begroting maakt de verwijzing door klager naar het landsbesluit van 15 september 2016 niet zonder meer betekenisloos. Uit zowel de circulaire van 18 mei 1989 als het Landsbesluit pensioen arbeiders ten laste van de begroting, blijkt dat de overheid de problematiek onder ogen heeft gezien van overheidsdienaren die ondanks een langdurig dienstverband op geen enkele pensioenvoorziening (behalve het algemene ouderdomspensioen) aanspraak kunnen maken. In aanmerking genomen dat klager in totaal meer dan twaalf jaren in overheidsdienst is geweest (van maart 2002 tot oktober 2004 als arbeidscontractant en vanaf oktober 2004 tot juni 2014 als ambtenaar in tijdelijke dienst) valt niet zonder meer in te zien dat hij niet tot de doelgroep(en) behoort waarvoor de overheid een aanspraak op een uitkering bij wijze van pensioen in het leven heeft willen roepen.

2.5.5

Het vorenstaande leidt tot de conclusie de afwijzende beslissing op klagers verzoek niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.6

De slotsom is dat het bezwaar van klager gegrond is, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

2.7

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat door het bevoegd gezag (de Gouverneur) alsnog een beslissing op klagers verzoek tot toekenning van een uitkering bij wijze van pensioen zal moeten worden genomen. Het gerecht kan de Gouverneur daartoe evenwel geen last geven, nu deze niet als verweerder in dit geding is betrokken. Klager mag er evenwel van uitgaan dat, indien de Gouverneur niet binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak op klagers verzoek heeft beschikt, een zogenaamde fictieve weigering tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La. Hij kan daartegen alsdan binnen dertig dagen bezwaar maken bij het gerecht

2.8

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de afwijzende beschikking van verweerder van 7 junii 2016.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 21 augustus 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).