Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:6

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1437 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (GAZA) - bevordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 februari 2017

GAZA nr. 1437 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 1 september 2014 heeft klager de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie (hierna: de minister) verzocht om hem met ingang van 1 januari 2014 te bevorderen naar de rang van commies 1ste klasse in schaal 9 in de functie van medewerker beleid en juridische ondersteuning bij het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS).

Bij landsbesluit van 12 april 2016, no. 31, heeft verweerder, gelezen het verzoek van klager van 1 september 2014, hem met ingang van 1 juli 2014 heringeschaald en benoemd in de rang van commies met vaststelling van de bezoldiging in schaal 8, dienstjaar 5.

Bij brief van 13 mei 2016, aan klager uitgereikt op 17 mei 2016, heeft de minister klager te kennen gegeven, zoals hierna onder 2.2 is vermeld.

Op 17 juni 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

Op 22 september 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2016, waar klager in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan.

2.2

Bij voormelde brief van 13 mei 2016 heeft de minister klager als volgt bericht:
“In antwoord op uw bovenvermelde verzoek het volgende.
U bekleedt sedert 1 januari 2008 de rang van hoofdklerk (schaal 5) in de functie van medewerker beleid en juridische ondersteuning bij het DIMAS welke functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 10. Conform beleid is het overslaan van schalen niet mogelijk, waardoor u niet kan worden bevorderd naar schaal 9. Naar aanleiding hiervan is uw verzoek om een bevordering naar schaal 9, afgewezen.
U bent wel in het bezit van een bachelor diploma, behaald aan de Universiteit van Aruba op 19 juni 2014, waardoor u met ingang van 1 juli 2014 her ingeschaald wordt in schaal 8, dienstjaar 5.
Het landsbesluit ter vastlegging van het bovenstaande zal u binnenkort ontvangen.”

2.3

In zijn uitspraak van 26 juli 2016, RvBAz 2014/71419, heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken overwogen dat de uiteindelijke bevoegdheid om te beschikken over het al dan niet bevorderen alleen de Gouverneur in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag toekomt, ook al behoeft hij daartoe de medewerking van de verantwoordelijk minister.

2.4

Bij voormeld landsbesluit van 12 april 2016 heeft verweerder, in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag, op het verzoek van klager van 1 september 2014 diens rechtspositie als ambtenaar voor de periode met ingang van 1 juli 2014 nader vastgesteld. Nu klager heeft verzocht om bevordering naar schaal 9 en hij bij het landsbesluit in schaal 8 is heringeschaald, is dat landsbesluit mede op te vatten als de gedeeltelijke afwijzing van het bevorderingsverzoek. Klager kon tegen dat landsbesluit in zijn volle omvang opkomen, derhalve ook tegen voormelde gedeeltelijke afwijzing. Dat de minister bij zijn weigering om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan de verzochte bevordering door een daartoe strekkende voordracht van 13 mei 2016 te kennen heeft gegeven dat daartegen bij het gerecht bezwaar kan worden gemaakt, kan daaraan niet afdoen, omdat die weigering nu eenmaal niet van het bevoegde gezag afkomstig was (vergelijk voormelde uitspraak van de Raad van Beroep van 26 juli 2010).

2.5

Weliswaar heeft klager in het bezwaarschrift vermeld dat dat gericht is tegen voormelde brief van de minister van 13 mei 2016, maar het gerecht begrijpt het bezwaar, dat ziet op de afwijzing van zijn verzoek om hem naar schaal 9 te bevorderen, als te zijn gericht tegen het landsbesluit van verweerder van 12 april 2016. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voormelde uitspraak van de Raad van Beroep recente rechtspraak betreft, die bovendien dateert van na de indiening van het bezwaarschrift door klager. Onder deze omstandigheden is het klager niet toe te rekenen dat hij meende tegen de brief van de minister bezwaar te moeten maken indien hij tegen de afwijzing van zijn verzoek tot bevordering wilde opkomen. Overigens is het bezwaarschrift, ook indien het geacht moet zijn te zijn gericht tegen het landsbesluit, tijdig ingediend. Ter zitting heeft klager onbetwist gesteld dat hij dat landsbesluit enige dagen later heeft ontvangen dan 17 mei 2016, de dag waarop hij de brief van de minister van 13 mei 2016 heeft ontvangen.

2.6

Klager betoogt dat zijn verzoek om hem naar schaal 9 te bevorderen ten onrechte is afgewezen. Daartoe voert hij aan dat hij ten tijde van het landsbesluit ruim acht jaren werkervaring had in zijn huidige functie van medewerker beleid en juridische ondersteuning bij DIMAS en hij volgens het ter zake van de inschaling van HBO/WO bachelor/master afgestudeerden gevoerde beleid daarvoor in aanmerking komt.

2.6.1

Volgens dat beleid geschiedt de inschaling van WO bachelor afgestudeerden als volgt:
‘”a. de WO bachelor afgestudeerde (zonder werkervaring) wordt bij indiensttreding ingeschaald in schaal 8 dienstjaar 5;
b. na twee (2) jaar komt hij in aanmerking voor een bevordering tot schaal 9 dienstjaar 5, mits aan de gestelde bevorderingseisen wordt voldaan;
c. vier (4) jaar na indiensttreding komt hij in aanmerking voor een bevordering naar schaal 10 dienstjaar 3, mits aan de gestelde bevorderingseisen wordt voldaan.”

2.6.2

Ter zitting heeft verweerder het bij het landbesluit ingenomen standpunt aldus nader toegelicht. Weliswaar heeft klager meerdere jaren werkervaring in zijn functie, maar deze werkervaring dateert van de periode voorafgaand aan het behalen van zijn bachelorsdiploma. Volgens het beleid komt klager eerst voor bevordering naar schaal 9 dienstjaar 5 in aanmerking, na twee jaar werkervaring ingaande de datum van het behalen van het bachelorsdiploma, aldus verweerder.

2.6.3

Het betoog faalt. Gegeven de bewoordingen van voormeld beleid komt klager eerst voor bevordering naar schaal 9 dienstjaar 5 in aanmerking indien hij 2 jaar na het behalen van zijn bachelorsdiploma aan de gestelde bevorderingseisen voldoet. Nu ten tijde van het landsbesluit deze periode niet was verstreken, heeft verweerder reeds om deze reden het verzoek om klager te bevorderen, als verzocht, terecht afgewezen.

2.7

Het bezwaar is ongegrond.

2.8

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 13 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).