Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:58

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
AUA201600277
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - onrechtmatige toegangsontzegging - Het gerecht stelt vast dat de juridische grondslag in casu ontbreekt en dat geen indicatie is gegeven van de verwachte duur van de ordemaatregel. Van een rechtmatige toegangsontzegging is derhalve evenmin sprake. De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017

AUA201600277

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaten mrs. D.G. Kock en D.G. Illes,

gericht tegen:

het Hoofd van Archivo Nacional Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 26 januari 2016 heeft verweerder aan klager bericht dat er een klacht tegen klager bij de minister van Algemene Zaken en bij het Departamento di Recurso Humano (DRH) is ingediend met het verzoek om klager van de dienst te verwijderen en heeft verweerder aan klager bericht dat hij heeft besloten om als ordemaatregel aan klager zijn werkzaamheden te ontnemen.

Tegen deze brief heeft klager op 25 februari 2016 bezwaar gemaakt.

De zaak is op de zitting van 3 oktober 2016 behandeld, alwaar zijn verschenen klager bijgestaan, door mr. D.G. Illes, en verweerder bij gemachtigde.

Partijen hebben op 9 januari 2017, 27 maart 2017 en 10 april 2017 een akte overlegd.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager stelt zich op het standpunt dat er in het onderhavige geval geen sprake is van het opdragen van tijdelijke werkzaamheden als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), nu verweerder klager al zijn werkzaamheden heeft ontnomen. Klager voert aan dat er in wezen sprake is van een ontheffing uit zijn functie als bedoeld in artikel 53 van de Lma, waartoe verweerder niet het bevoegde gezag is.

Verweerder voert aan dat er niet gesproken kan worden van een ontheffing van klager uit zijn functie, daar klager als ordemaatregel tijdelijk op een andere werkplek is geplaatst, in afwachting van de reactie van verweerder sub 2 en DRH op het schrijven van verweerder sub 1 van 22 januari 2016.

2.2

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar verplicht zo nodig tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die hij gewoonlijk verricht.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden aan de ambtenaar opgedragen door of namens de betrokken minister.

Artikel 53, eerste lid, van de Lma bepaalt dat, wanneer het belang van de dienst zulks vordert, de ambtenaar verplicht is, al of niet in zijn dienstvak en al of niet op dezelfde standplaats, een andere betrekking of een andere werkkring te aanvaarden, welke hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen. Deze opdracht gaat uit van het bevoegde gezag.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt een andere betrekking of een andere werkkring hem, tenzij in spoedeisende gevallen, niet opgedragen dan nadat hij is gehoord.

2.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat aan klager sinds de beschikking van verweerder 26 januari 2016 geen werkzaamheden zijn opgedragen. Met klager is het gerecht van oordeel dat artikel 52 van de Lma geen grondslag biedt voor de handeling van verweerder te weten het ontnemen van alle werkzaamheden van klager. Nog daargelaten dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat verweerder deze heeft vastgesteld namens het ten dezen bevoegde gezag (de minister van Algemene Zaken) is er is immers geen sprake van het verrichten van ‘tijdelijk andere werkzaamheden’ als alle werkzaamheden, zoals in casu, aan klager volledig zijn ontnomen. Het gerecht overweegt dan ook dat verweerder daartoe niet bevoegd was.

2.4

Het gerecht overweegt voorts dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat klager de toegang tot zijn werkplek en tot andere ruimtes binnen het gebouw is ontzegd, dat deze toegangsontzegging na ruim negen maanden nog immer voortduurt en dat nog geen nadere beslissingen zijn genomen over de rechtspositie van klager.

Ingevolge artikel 48 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) kan aan een ambtenaar door of namens de betrokken minister de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. Nog daargelaten dat, zoals gezegd, uit de bestreden beschikking niet blijkt dat deze is genomen namens het tot een toegangsontzegging bevoegde gezag (ook hier: de minister van Algemene Zaken) stelt het gerecht voorop dat een toegangsontzegging met toepassing van artikel 48 Lma een voorlopige ordemaatregel is. De beschikking waarmee deze ordemaatregel is aangezegd dient te bevatten, de juridische grondslag, de precieze reden, het tijdstip van inwerkingtreding en de te verwachten duur van de ordemaatregel. Een toegangsontzegging dient in de regel niet langer te duren dan de tijd die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aan het bevoegde gezag moet worden gelaten om nadere beslissingen te nemen over de rechtspositie van de ambtenaar. Deze termijn is in de jurisprudentie bepaald op zes weken, met de mogelijkheid tot verlening ervan.

Het gerecht stelt vast dat de juridische grondslag in casu ontbreekt en dat geen indicatie is gegeven van de verwachte duur van de ordemaatregel. Van een rechtmatige toegangsontzegging is derhalve evenmin sprake. De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven.

2.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar van klager gegrond;

vernietigt de beschikking van verweerder van 26 januari 2016;

veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 3 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).