Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:50

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 163 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - Naar het oordeel van het gerecht kan dit enkele nalaten niet worden aangemerkt als een actieve betrokkenheid bij de diefstal. Daarbij is in aanmerking genomen dat klagers stelling dat hij ervan uitging dat de opzichter de diefstal aan de leiding zou doorgeven en er verder werk van zou maken - hetgeen ook is gebeurd - niet zonder meer ongeloofwaardig kan worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017

GAZA nr. 163 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 25 november 2015, no 4, heeft verweerder besloten:

I: aan klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder e, en derde lid, onder d, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) met ingang van de eerste van de maand na dagtekening van dit landsbesluit de disciplinaire straf op te leggen van terugzetting in bezoldiging voor het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen van bezoldiging (schaal 4, dienstjaar 7) en voor de duur van twee jaar;

II: te bepalen dat de bezoldiging van betrokkene na het verstrijken van twee jaar in schaal 4, dienstjaar 11, wordt hersteld;

III: aan te tekenen dat de schorsing van betrokkene tot heden heeft voortgeduurd, waardoor betrokkene zich per direct bij de Dienst Openbare Werken dient te melden.

Op 26 januari 2016 heeft klager tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.

Op 29 april 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2016, waar klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager heeft onbetwist gesteld dat hij eerst op 14 januari 2016 van de bestreden beschikking op de hoogte is geraakt. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Dit betekent dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

2.2

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

2.3

Ingevolge artikel 82, eerste lid, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.4

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder e, kan onder meer de disciplinaire straf van terugzetting in bezoldiging worden toegepast.

Ingevolge het derde lid, onder d, geschiedt terugzetting in bezoldiging voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen.

2.5

Klager bestrijdt de bestreden beschikking voor zover hem daarbij de disciplinaire straf van terugzetting in bezoldiging voor een periode van twee jaar is opgelegd.

2.6

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, nu hij medeplichtig is geweest aan diefstal van klinkers van het zandbedrijf van de Dienst Openbare Werken te Tarabana.

2.7

Klager ontkent dat hij een (actief) aandeel in de diefstal heeft gehad. Van medeplichtigheid in strafrechtelijke zin is daarom geen sprake, aldus klager.

2.8

Hoewel verweerder kan worden gevolgd in zijn betoog dat met de aanduiding in de bestreden beschikking van klagers betrokkenheid bij de daarin bedoelde diefstal als ‘medeplichtigheid’ niet zonder meer is gedoeld op de vorm van daderschap, bedoeld in artikel 1:124 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, kan die aanduiding bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat aan klager wordt verweten in zekere mate actief betrokken te zijn geweest bij de diefstal. Uit de bestreden beschikking volgt evenwel dat aan klager in wezen geen ander verwijt wordt gemaakt dan dat hij heeft nagelaten aan zijn leidinggevende melding te maken van de diefstal, nadat hij daarvan door de opzichter van het zandbedrijf op de hoogte was gesteld. Naar het oordeel van het gerecht kan dit enkele nalaten niet worden aangemerkt als een actieve betrokkenheid bij de diefstal. Daarbij is in aanmerking genomen dat klagers stelling dat hij ervan uitging dat de opzichter de diefstal aan de leiding zou doorgeven en er verder werk van zou maken – hetgeen ook is gebeurd– niet zonder meer ongeloofwaardig kan worden geacht.

2.9

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het bezwaar is derhalve gegrond. De bestreden beschikking, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd.

2.10

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt het landsbesluit van 25 november 2015, no 4, voor zover aangevallen;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).