Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:47

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 2750 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017

GAZA nr. 2750 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,

gericht tegen:

de Kopschef van het Korps Politie Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 18 september 2015 heeft verweerder aan klager op zijn verzoek toestemming gegeven om 17 wegens arbeidsongeschiktheid in het jaar 2013 nog niet genoten vakantiedagen alsnog op te nemen.

Bij beschikking van 2 november 2015 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat zijn verzoek alsnog wordt afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft klager op 2 december 2015 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 25 april 2016, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, verweerder bij gemachtigde.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 4 van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) – voor zover hier van belang – wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften verstaan onder:

de bevoegde autoriteit:

a. (…);

b. (…);

c. het hoofd van dienst, wat betreft de bij zijn dienst werkzaam gestelde ambtenaren.

2.2

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Lvvda heeft de ambtenaar per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van vol inkomen op de voorwaarden en met inachtneming van de regelen, gesteld in dit hoofdstuk.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de vakantie, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek aaneengesloten verleend door de bevoegde autoriteit.

Ingevolge het vierde lid beslist de bevoegde autoriteit omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede omtrent de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst.

2.3

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Lvvda wordt, voor zover aan de ambtenaar in een kalenderjaar het hem volgens dit hoofdstuk toekomende aantal vakantiedagen niet is verleend, hem de niet genoten vakantie in het daaropvolgend kalenderjaar aaneengesloten verleend.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, verliest de ambtenaar, behoudens het bepaalde in artikel 7, zijn aanspraak op het door hem niet genoten aantal vakantiedagen, betrekking hebbende op het kalenderjaar, voorafgaande aan het afgelopen kalenderjaar.

2.4

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Lvvda kan de in dit hoofdstuk bedoelde vakantie wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken bij gemotiveerde beschikking van de bevoegde autoriteit.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel behoudt de ambtenaar, indien de vakantie krachtens het eerste lid geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, zijn aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantiedagen.

2.5

Het verzoek van klager om 17 niet genoten vakantiedagen alsnog op te nemen heeft betrekking op vakantiedagen die hem in het jaar 2012 toekwamen. Dit betekent dat klager die vakantiedagen ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Lvvda uiterlijk in 2013 had moeten opnemen. Slechts indien toepassing is gegeven aan artikel 7, eerste lid, van de Lvvda kan de aanspraak op de onderhavige vakantiedagen, gelet op het tweede lid, van dit artikel, worden behouden. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich deze situatie heeft voorgedaan. De door klager gestelde omstandigheid dat hij de vakantiedagen uit 2012 niet in 2013 heeft kunnen opnemen wegens arbeidsongeschiktheid in dat jaar, leidt niet tot behoud van die vakantiedagen. De aan de bestreden beschikking van 2 november 2015 ten grondslag liggende opvatting van verweerder dat klager aan de Lvvda geen aanspraak op toekenning van zijn verzoek kan doen gelden, is derhalve juist.

2.6

Het gerecht is niettemin met klager van oordeel dat de bestreden beschikking de toets der kritiek niet kan doorstaan. Daartoe wordt overwogen dat zij strekt tot intrekking van de eerder aan klager gegeven toewijzende beschikking van 18 september 2015. In die beschikking komt tot uitdrukking dat omtrent de toewijsbaarheid van klagers verzoek binnen de dienst enige discussie is geweest, doch dat verweerder, na hierover advies te hebben ingewonnen bij het Departamento Recurso Humano, overeenkomstig dit advies positief op klagers verzoek heeft beslist. Onder deze omstandigheden behoefde klager er geen rekening mee te houden dat die beschikking weer zou worden ingetrokken. Door dit wel te doen – en wel, naar klager onbetwist heeft gesteld, zeer kort voor de door hem geplande vakantie – heeft verweerder gehandeld in strijd met het beginsel der rechtszekerheid.

2.7

Het bezwaar is gegrond, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

2.8

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden beschikking van verweerder van 2 november 2015;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).