Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:43

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1337 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht in Ambtenarenzaken (Gaza) - Nog daargelaten dat het beleid, volgens de bewoordingen ervan, slechts betrekking heeft op ‘diensthoofden’ en niet mede op alle leidinggevenden binnen de overheidsdienst, is het onredelijk dit beleid aan een ambtenaar tegen te werpen in het geval het bevoegde gezag ervoor heeft gekozen om een persoon als leidinggevende aan te stellen terwijl deze lager is ingeschaald dan zijn ondergeschikten. Het is onaanvaardbaar dat deze ondergeschikten alsdan wat hun mogelijkheden voor bevordering betreft, volledig afhankelijk zijn van het carrièreverloop van die leidinggevende waar zij geen enkele invloed op hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017

GAZA nr. 1337 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde:

A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 19 mei 2015, no. 5, is klager met ingang van 1 juli 2012 bevorderd naar de rang van senior-hoofdtechnicus met vaststelling van de bezoldiging op Afl. 67.980,= ’s jaars (schaal 10, dienstjaar 7) en de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging op 1 juli 2014.

Hiertegen heeft klager bezwaar gemaakt, door indiening bij dit gerecht van een pro-forma bezwaarschrift op 19 juni 2015. De gronden van zijn bezwaar heeft klager bij aanvullend bezwaarschrift bij dit gerecht ingediend op 3 augustus 2015.

Verweerder heeft op 12 oktober 2015 een contramemorie ingediend

De zaak is behandeld ter zitting van 27 juni 2016, alwaar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klager heeft zijn bezwaarschrift na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La gestelde termijn ingediend. Hij heeft echter aangevoerd de bestreden beschikking pas op 10 juni 2015 te hebben ontvangen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Het tegendeel blijkt ook niet uit de gedingstukken. Dit betekent dat het bezwaar wel is ingediend binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar.

2.3

Klager, werkzaam bij Directie Telecommunicatie Zaken (DTZ) kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking nu daarmee ten onrechte niet is tegemoetgekomen aan zijn verzoek, gedateerd 28 maart 2011, om naar schaal 10 te worden bevorderd met ingang van 1 april 1997 en naar schaal 11 met ingang van 1 september 2003. In dit verband voert hij – kort gezegd – aan dat hij aan alle bevorderingseisen ter zake voldoet om in aanmerking te komen voor de verzochte bevordering(en).

2.4

Aan de bestreden beschikking ligt als motivering ten grondslag dat klager niet eerder kan worden bevorderd dan met ingang van 1 juli 2012 aangezien er volgens bestendig beleid tussen een ondergeschikte en diens leidinggevende ten minste één salarisschaal verschil moet bestaan. Eerst na de bevordering van zijn leidinggevende kwam klager in aanmerking voor bevordering naar schaal 10. Aangezien de functie die klager vervult maximaal is gewaardeerd op schaal 10, komt hij niet in aanmerking voor de door hem gevraagde bevordering naar schaal 11, aldus verweerder.

2.5

Met betrekking tot de ingangsdatum van zijn bevordering naar schaal 10 heeft klager onder meer betoogd dat het door verweerder bedoelde beleid, blijkens de uit de door verweerder overgelegde beleidsdocumenten, uitsluitend betrekking heeft op de verhouding tussen een ‘diensthoofd’ en diens naaste medewerkers. De door verweerder bedoelde leidinggevende van klager is evenwel geen diensthoofd, doch slechts chef van een (hoofd)afdeling van binnen DTZ. Voorts acht klager het onredelijk dat hij, hoewel hij zelf reeds lang aan alle voorwaarden voldoet om voor bevordering in aanmerking te komen, langdurig zou moeten wachten op de bevordering van zijn leidinggevende, die – blijkens het verhandelde ter zitting – in die hoedanigheid is benoemd toen hij nog in een lagere salarisschaal zal dan klager. Klager heeft voorts aangevoerd dat verweerder geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor diens standpunt dat de zwaarte van klagers functie een waardering op het niveau van schaal 11 niet rechtvaardigt.

2.5.1

De grieven van klager treffen doel. Nog daargelaten dat het beleid, volgens de bewoordingen ervan, slechts betrekking heeft op ‘diensthoofden’ en niet mede op alle leidinggevenden binnen de overheidsdienst, is het onredelijk dit beleid aan een ambtenaar tegen te werpen in het geval het bevoegde gezag ervoor heeft gekozen om een persoon als leidinggevende aan te stellen terwijl deze lager is ingeschaald dan zijn ondergeschikten. Het is onaanvaardbaar dat deze ondergeschikten alsdan wat hun mogelijkheden voor bevordering betreft, volledig afhankelijk zijn van het carrièreverloop van die leidinggevende waar zij geen enkele invloed op hebben.

2.5.2

Het gerecht is met klager voorts van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op klagers stelling dat de door hem beklede functie wel degelijk op het niveau van schaal 11 moet worden gewaardeerd. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat met betrekking tot het voor de functie van klager opgemaakte FIF-formulier een waardering heeft plaatsgevonden door het Departamento di Recurso Humano.

2.6

Het bezwaar is gegrond, zodat de bestreden beschikking, voor zover door klager aangevallen, niet in stand kan blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak binnen drie maanden opnieuw een beslissing moeten nemen op het bevorderingsverzoek van klager

2.7

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt het landsbesluit van 19 mei 2015, no. 5, voor zover door klager aangevallen;

  • -

    draagt verweerder op om over uiterlijk drie maanden na dagtekening van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bevorderingsverzoek van klager;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 3 juli 2017, in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).