Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:41

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
GAZA nrs. 667 en 1496 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gaza) - De vraag die in dit geschil moet worden gesteld, is uitsluitend of er voldoende grond bestond voor verweerder om tot de conclusie te komen dat het karakter van klaagster noopt tot het opleggen van een verplicht begeleidingstraject op het punt van woedebeheersing. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder die noodzaak onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 3 juli 2017

GAZA nrs. 667 en 1496 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,

gericht tegen:

de minister van Onderwijs en Gezin,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: de advocaten mrs. D.M. Canwood en J.P. Sjiem Fat.

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 20 maart 2015 heeft het hoofd van de Dienst Publieke Scholen namens verweerder besloten:

  • -

    klaagster te schorsen met behoud van inkomen voor de duur van vijf werkdagen;

  • -

    klaagster tijdelijk te ontheffen uit de functie van vaste leerkracht in klas 6 van [de school] voor het resterende deel van het huidige schooljaar;

  • -

    aan klaagster een andere passende functie te geven voor de rest van dit schooljaar;

  • -

    klaagster op te dragen een begeleidingstraject te volgen dat door haar hoofd, al dan niet met behulp van de afdeling begeleiding van de Directie Onderwijs en/of haar huisarts, wordt opgesteld.

Tegen deze beschikking heeft klaagster op 1 april 2015, aangevuld bij nader bezwaarschrift van 17 april 2015, bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Dit bezwaar is geregistreerd onder nummer GAZA 667 van 2015.

Bij beschikking van 12 juni 2015 heeft verweerder, voor zover nodig en vereist, de beschikking van 20 maart 2015 bekrachtigd, met handhaving van de schriftelijke instructie aan klaagster om een begeleidingstraject te volgen dat door het schoolbestuur en het schoolhoofd gezamenlijk, met behulp van de afdeling begeleiding van de Directie Onderwijs, binnen drie maanden wordt opgesteld en opgestart.

Tegen deze beschikking heeft klaagster op 9 juli 2015 bezwaar gemaakt bij dit gerecht. Dit bezwaar is geregistreerd onder nummer GAZA 1496 van 2015.

De zaken zijn ter zitting behandeld op 22 juni 2015, 14 september 2015, 14 oktober 2015 en 27 juni 2016. waar klaagster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door de gemachtigden, voornoemd.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Uit de overwegingen van verweerder, verwoord in de bestreden beschikking van 12 juni 2015, trekt het gerecht de conclusie dat met die beschikking is beoogd de bestreden beschikking van 20 maart 2015 te handhaven, uitsluitend voor zover daarbij aan klaagster is opgedragen een begeleidingstraject te volgen. Dit betekent dat de in de beschikking van 20 maart 2015 aan klaagster opgelegde overige maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging door verweerder reeds was opgeschort, niet langer worden gehandhaafd. Klaagster heeft dan ook geen belang meer bij een beoordeling van haar grieven gericht tegen die onderdelen van de beschikking van 20 maart 2015. Het gerecht gaat aan die grieven dan ook voorbij.

2.2

In geschil is derhalve uitsluitend nog de door verweerder bij de bestreden beschikking van 12 juni 2015 gehandhaafde opdracht aan klaagster om een begeleidingstraject te volgen.

2.3

Aan deze beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd het advies van de bij ministeriële beschikking van 13 april 2015 ingestelde onderzoekscommissie. Deze commissie is ingesteld naar aanleiding van vermeend onprofessioneel en niet-pedagogisch handelen door klaagster in haar hoedanigheid van leerkracht van klas 6 van de [de school] in het schooljaar 2014-2015. Hoewel dit vermeende handelen van klaagster de directe aanleiding was voor instelling van de onderzoekscommissie, heeft de commissie, overeenkomstig haar opdracht, niet alleen de gedragingen van klaagster onderzocht maar ook onderzoek gedaan naar de wijze waarop de school(leiding) als geheel is omgegaan met de problematiek van bejegening van ouders door leerkrachten en het omgaan met leerlingen die bijzondere aandacht en zorg behoeven. Naast de aanbeveling dat klaagster een verplicht begeleidingstraject dient te volgen vanwege haar opvliegendheid, heeft de commissie aantal aanbevelingen gedaan die de leiding van de [de school] betreffen alsmede de Dienst Publieke Scholen.

2.4

Op grond van haar onderzoeksbevindingen komt de commissie tot de conclusie dat klaagster ten aanzien van een van haar leerlingen niet-pedagogisch heeft gehandeld. Blijkens de beschikking van 12 juni 2015 onderschrijft verweerder deze conclusie. Klaagster betwist de juistheid van de bevindingen van de commissie.

2.5

Naar het oordeel van het gerecht is de vraag of het aan klaagster gerichte verwijt van niet-pedagogisch handelen terecht is, evenwel niet relevant voor de beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden aan klaagster de maatregel van het verplicht volgen van een begeleidingstraject heeft opgelegd. Uit de door verweerder overgenomen conclusies van de onderzoekscommissie komt immers naar voren deze maatregel niet zo zeer is ingegeven door de wijze waarop klaagster in pedagogisch opzicht heeft gehandeld jegens de betrokken leerling, als wel vanwege het in de ogen van de commissie opvliegende karakter van klaagster, zoals dat met name tot uiting is gekomen in de bejegening van de vader van de leerling. De vraag die in dit geschil moet worden gesteld, is derhalve uitsluitend of er voldoende grond bestond voor verweerder om tot de conclusie te komen dat het karakter van klaagster noopt tot het opleggen van een verplicht begeleidingstraject op het punt van woedebeheersing. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder die noodzaak onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar heeft de onderzoekscommissie vastgesteld dat ook enkele collega’s van klaagster over haar spreken als iemand ‘met een kort lontje’, doch dit rechtvaardigt op zichzelf nog niet de conclusie dat bij klaagster sprake is van ‘probleemgedrag’ waarbij gedwongen begeleiding op zijn plaats is. Dat de vermeende karaktereigenschap van klaagster meer dan slechts incidenteel tot een mogelijk onheuse bejegening van een leerling of een ouder heeft geleid, kan uit de bevindingen van de commissie niet met voldoende zekerheid worden afgeleid. Andere feiten of omstandigheden waaruit dit zou kunnen blijken, zijn door verweerder gesteld noch gebleken.

2.6

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking van 20 maart 2015, voor zover die bij de beschikking van 12 juni 2017 is gehandhaafd, alsmede laatstgenoemde beschikking zelf, voor zover die strekt tot handhaving van de beschikking van 20 maart 2015, niet in stand kan blijven. De tegen deze beschikkingen gerichte bezwaren zijn derhalve gegrond.

2.7

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart de bezwaren gegrond;

  • -

    vernietigt de beschikking van verweerder van 20 maart 2015, voor zover deze bij beschikking van verweerder van 12 juni 2015 is gehandhaafd;

  • -

    vernietigt de beschikking van verweerder van 12 juni 2015, voor zover deze strekt tot handhaving van de beschikking van 20 maart 2015;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Inhoudsindicatie: Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gaza) - De vraag die in dit geschil moet worden gesteld, is uitsluitend of er voldoende grond bestond voor verweerder om tot de conclusie te komen dat het karakter van klaagster noopt tot het opleggen van een verplicht begeleidingstraject op het punt van woedebeheersing. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder die noodzaak onvoldoende gemotiveerd.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).