Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:40

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
AUA201700334
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster is “tot nader order (…) als ordemaatregel” van medewerker vergunningen in een administratieve functie geplaatst. Verweerder rechtvaardigt en motiveert de overplaatsing met een beroep op een gebrek aan betrouwbaarheid en integriteit zijdens verzoekster. Dat wordt niet nader uitgewerkt. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk dat de beslissing in een bodemprocedure zal worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 12 juni 2017

AUA201700334

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoekster],

wonende in Aruba,

VERZOEKSTER of [VERZOEKSTER],

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

gericht tegen:

De Minister van Transport,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.P. Wever (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij beslissing van 11 april 2017, genomen door de directeur van het Departamento Transporte Publico namens verweerder, is verzoekster “tot nader order (…) als ordemaatregel” van medewerker vergunningen in een administratieve functie geplaatst.

Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beschikking) heeft verzoekster op 16 september 2015 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht.

Tevens heeft verzoekster zich bij verzoekschrift van 25 april 2017 tot het gerecht gewend met het verzoek om ex artikel 94 van de La, de haar het besluit van 11 april 2017 opgelegde overplaatsing te willen schorsen en verweerder op te dragen klaagster in haar huidige functie te handhaven.

Het verzoek is op 5 juni 2017 in raadkamer behandeld, waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.3

Verweerder rechtvaardigt en motiveert de overplaatsing met een beroep op een gebrek aan betrouwbaarheid en integriteit zijdens [verzoekster]. Dat wordt in de schriftelijke weergave van 30 mei 2017 van de beslissing niet nader uitgewerkt. Ook ter zitting is door verweerder daarvan geen steekhoudend voorbeeld gegeven.

2.4

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk dat de beslissing in een bodemprocedure zal worden vernietigd. Zonder deugdelijk onderzoek en steekhoudende motivering moet het ervoor worden gehouden dat verweerder de bevoegdheid om [verzoekster] op voet van artikel 52 tijdelijk andere werkzaamheden te doen verrichten voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die gegeven is. [Verzoekster] lijdt onevenredig nadeel van haar overplaatsing, mede omdat de overplaatsing is in gegeven door ongefundeerde twijfel aan haar integriteit.

2.5

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in voorzieningenprocedure als de onderhavige geen wettelijke grondslag.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

schorst de bestreden beslissing;

draagt verweerder op om [verzoekster] in haar huidige functie van medewerkster vergunningen te handhaven tot in de bodemzaak in hoogste instantie is beslist.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 12 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.