Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:35

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 2620 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij landsbesluit van 24 september 2015, no 28, heeft verweerder besloten:

I: aan klager de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, althans aan klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) eervol ontslag te verlenen;

II: voor zover de onder I genoemde ontslaggrond komt te vervallen, aan klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder d, van de Lma eervol ontslag te verlenen;

een en ander met ingang van de dag na dagtekening van dit landsbesluit.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het gerecht van oordeel dat de disciplinaire straf van ontslag wel op zijn plaats, maar wel in voorwaardelijke vorm. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het gerecht ziet voorts aanleiding om te doen wat verweerder had behoren en zal daarom met toepassing van artikel 85 van de La deze beschikking wijzigen als hierna bepaald. Het bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 juni 2017

GAZA nr. 2620 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. S.O.R.’G. Faarup,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 24 september 2015, no 28, heeft verweerder besloten:

I: aan klager de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, althans aan klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) eervol ontslag te verlenen;

II: voor zover de onder I genoemde ontslaggrond komt te vervallen, aan klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder d, van de Lma eervol ontslag te verlenen;

een en ander met ingang van de dag na dagtekening van dit landsbesluit.

Op 13 november 2015 heeft klager tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.

Op 11 januari 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2016, waar klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager heeft onbetwist gesteld dat hij eerst op 16 oktober 2015 van de bestreden beschikking op de hoogte is geraakt. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Dit betekent dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

2.2

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

2.3

Ingevolge artikel 82, eerste lid, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.4

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i, kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

Ingevolge het vierde lid kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn, welke die van twee jaren niet te boven mag gaan, niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

2.5

Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de La kan het bezwaar, indien het een disciplinaire strafoplegging betreft, in elk geval ook worden ingediend ter zake dat er tussen de opgelegde straf en de gepleegde overtreding onevenredigheid bestaat.

2.6

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, nu hij – in de privésfeer – actief betrokken is geweest bij een vechtpartij, voor welk handelen hij bij vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 30 april 2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 120 uur.

2.7

Klager erkent dat hij fout heeft gehandeld doch is van mening dat de opgelegde straf van (onvoorwaardelijk) ontslag disproportioneel is.

2.8

Het betoog van klager slaagt. Hoewel verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ook strafbare feiten, begaan in de privésfeer, aanleiding kunnen geven tot disciplinaire maatregelen tegen een ambtenaar, dienen bij de bepaling van de vraag welke maatregel gepast is, alle feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. De omstandigheid dat een feit in de privésfeer is begaan is daar één van. Het gerecht acht in dit verband voorts van belang dat klager, nadat hem gedurende een periode de toegang tot het werk was ontzegd en vervolgens in afwachting van het disciplinaire onderzoek was geschorst, op zijn verzoek is toegestaan vanaf januari 2015 zijn werkzaamheden weer te hervatten. Hoewel de ernst van de tegen klager gerezen verdenking toen al duidelijk was, is daarin kennelijk geen beletsel gezien klager weer toe te staan aan het werk te gaan. Onbetwist is dat hij sedertdien weer naar tevredenheid heeft gefunctioneerd. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat er verder op zijn staat van dienst iets valt aan te merken.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het gerecht van oordeel dat de disciplinaire straf van ontslag wel op zijn plaats, maar wel in voorwaardelijke vorm. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het gerecht ziet voorts aanleiding om te doen wat verweerder had behoren en zal daarom met toepassing van artikel 85 van de La deze beschikking wijzigen als hierna bepaald. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gerecht in de aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onvoldoende grond ziet voor het subsidiair gegeven ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, onder d of f, van de Lma.

2.9

Het bezwaar is derhalve gegrond.

2.10

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het bezwaar gegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris;

  • -

    wijzigt het bestreden landsbesluit van 24 september 2015, no 28, in dier voege dat de beslissing komt te luiden:

HEEFT BESLOTEN

de heer Ras, Jadir G. (3324370) met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, in samenhang met het vierde lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht de disciplinaire straf van ontslag op te leggen onder bepaling dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de betrokkene zich gedurende een termijn van één jaar, te rekenen vanaf 26 juni 2017, niet schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).