Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:18

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 2038 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klager kan zich niet verenigen met de afwijzing hem naar schaal 10 te bevorderen en stelt zich daarbij op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 9. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het plaatsingslandsbesluit, voor zover daarin is overwogen dat de functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 10, evenals de bevordering van de door klager genoemde inspectieambtenaar veiligheid naar schaal 10, berusten op een ambtelijke fout. Bovendien staat het verweerder steeds vrij om functies te herwaarderen, waarbij de mogelijkheid bestaat dat tot een waardering op een lager niveau wordt uitgekomen. Ten slotte strekt het gelijkheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak niet zover dat een bestuursorgaan gehouden is een eenmaal gemaakte fout te herhalen. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2017

GAZA nr. 2038 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager] ,

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA ,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 7 oktober 2013 heeft klager de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie (hierna: de minister) verzocht om hem met ingang van 1 januari 2007 te bevorderen naar de rang van hoofdtechnicus 1ste klasse in schaal 9 en per 1 november 2010 naar de rang van senior-hoofdtechnicus in schaal 10.

Bij Landsbesluit van 12 april 2016, no. 43, heeft verweerder, gelezen het verzoek van klager van 7 oktober 2013, hem met ingang van 1 juli 2013 bevorderd naar de rang van hoofdtechnicus 1ste klasse met vaststelling van de bezoldiging in schaal 9, dienstjaar 9.

Bij brief van 26 juli 2016 heeft de minister klager te kennen gegeven, dat de functie van inspectie- en keuringsambtenaar veiligheid bij de DTI maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 9, en dat op grond hiervan zijn verzoek om bevordering naar de rang van senior-hoofdtechnicus (schaal 10) niet voor inwilliging vatbaar is.

Op 25 augustus 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

Op 12 oktober 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2017, waar klager, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan.

2.2

In zijn uitspraken van 26 juli 2016, RvBAz 2014/71419, en van 16 februari 2017, RvBAz 2015/74637, heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken voorop gesteld dat de inhoudelijke beslissing op een verzoek om bevordering van een ambtenaar alleen door de Gouverneur bevoegd genomen kan worden. Dat houdt in dat ook de afwijzing van een dergelijk verzoek aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden.

Dit betekent dat de in de brief van 26 juli 2016 vervatte afwijzing, onbevoegd is genomen en reeds op grond hiervan vernietigd dient te worden.

2.3

Gelet op het bovenstaande zal het gerecht het bezwaar van klager, dat ziet op de afwijzing van zijn verzoek om hem naar schaal 10 te bevorderen, achten als te zijn gericht tegen het Landsbesluit van 12 april 2016 (hierna: de bestreden beslissing), waarin eveneens is overwogen dat de functie van inspectie- en keuringsambtenaar veiligheid bij de DTI maximaal op het niveau van schaal 9 is gewaardeerd en waarbij zijn verzoek om bevordering naar schaal 10 - derhalve impliciet - is afgewezen. Klager is overigens ontvankelijk in dit bezwaar, nu op het door verweerder overgelegd afschrift van de bestreden beslissing staat aangetekend dat het op 29 juli 2016 is verzonden. Zoals hiervoor is vermeld, is het bezwaarschrift op 25 augustus 2016 bij het gerecht ingekomen, derhalve binnen dertig dagen na de dag waarop klager redelijkerwijs van het landsbesluit kennis heeft kunnen dragen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak

2.4

Klager kan zich niet verenigen met de afwijzing hem naar schaal 10 te bevorderen en stelt zich daarbij op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de functie van inspectie- en keuringsambtenaar veiligheid bij de DTI maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 9. Hij verwijst in dit verband naar het Landsbesluit van 20 april 2012, waarbij verweerder hem in de desbetreffende functie heeft geplaatst, waarin is overwogen dat deze functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 10, en naar de uitspraak van het gerecht van 8 december 2014 in de zaken nrs. GAZA 2600, 2623, 2624, 2625, 2626 en 2627 van 2013. De weigering hem te bevorderen naar schaal 10 is voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus klager.

2.5

Volgens verweerder betreft de vermelding van de maximale waardering op het niveau van schaal 10 in het Landsbesluit van 22 mei 2012 een fout. Verweerder verwijst in dit verband naar door het Departamento Recurso Humano (DRH) naar aanleiding van een aantal rechtszaken verricht onderzoek, dat heeft geresulteerd in het rapport “Analyse DTI documenten” (hierna: het rapport). Uit het rapport blijkt dat in augustus 2009 door DTI en de voorganger van DRH, de dienst P&O, een gezamenlijk concept-formatierapport tot stand is gebracht, welk concept-formatierapport nimmer door de ministerraad is goedgekeurd, nu daaromtrent, conform de gebruikelijke procedure, nog commentaar van de vakbond en de Centrale Accountantsdienst moest worden ingewonnen. In dat concept-formatierapport zijn nadien door DTI (eenzijdig) wijzigingen aangebracht in de functiewaarderingen, die niet beantwoorden aan de daarvoor geldende richtlijnen en die leiden tot discrepanties met de functiewaarderingen van andere overheidsdiensten en tot een zeer aanzienlijke stijging (39%) van de personeelskosten van DTI. Enige besluitvorming tot formalisering van het aldus gewijzigde concept-formatierapport heeft evenmin plaatsgevonden, aldus het rapport. Het plaatsingslandsbesluit van klager van 22 mei 2012, dat is gebaseerd op het nieuwe, eenzijdig door DTI gewijzigde formatierapport, berust dan ook op een ambtelijke fout, waaraan klager geen aanspraak kon ontlenen, evenals de bevordering van de door klager genoemde inspectieambtenaar veiligheid naar schaal 10, aldus verweerder.

2.6

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het plaatsingslandsbesluit van 22 mei 2012, voor zover daarin is overwogen dat de functie van inspectieambtenaar veiligheid bij de DTI maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 10, evenals de bevordering van de door klager genoemde inspectieambtenaar veiligheid naar schaal 10, berusten op een ambtelijke fout. De verwijzing door klager naar de uitspraak van dit gerecht van 8 december 2014 geeft geen grond voor een ander oordeel. Anders dan klager betoogt, valt daaruit niet af te leiden dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de functie van inspectieambtenaar veiligheid bij de DTI maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 10. Voorts kon klager aan een zodanige ambtelijke fout geen aanspraken ontlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan een gemaakte fout moet kunnen herstellen, waarbij de mogelijkheid daartoe haar begrenzing vindt in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Anders dan klager betoogt leidt in dit geval het herstel van de gemaakte fout niet tot strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, aangezien de enkele overweging in het plaatsingslandsbesluit dat de functie waarin klager wordt geplaatst maximaal gewaardeerd wordt op het niveau van schaal 10 op zichzelf niet met zich brengt dat verweerder is gehouden klager tot dat niveau te bevorderen. Bovendien staat het verweerder steeds vrij om functies te herwaarderen, waarbij de mogelijkheid bestaat dat tot een waardering op een lager niveau wordt uitgekomen. Ten slotte strekt het gelijkheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak niet zover dat een bestuursorgaan gehouden is een eenmaal gemaakte fout te herhalen, zodat klagers beroep op dit beginsel onder verwijzing naar voornoemde inspectieambtenaar veiligheid hem niet kan baten. Het betoog faalt.

2.7

Nu de waardering van de door klager bekleedde functie een bevordering van klager naar schaal 10 in de weg staat, heeft verweerder terecht een verdere bevordering van klager, afgewezen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is.

2.8

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 6 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).