Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:13

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1637 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden beslissing, heeft verweerder besloten:

I. aan klager, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Lma de disciplinaire straf van ontslag op te leggen met ingang van de dag van dagtekening van dit landsbesluit, althans met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag te verlenen met ingang van de dag van dagtekening van het besluit, II. betrokkene om redenen in de considerans vermeld, ontslag te verlenen conform artikel 98 lid 1 sub d indien betrokkene onherroepelijk wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zulks met ingang van het onherroepelijk worden van de veroordeling.

Gelet op de aard en de ernst van het door klager gepleegde plichtsverzuim, acht het gerecht het gegeven disciplinair ontslag niet onevenredig zwaar. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2017

GAZA nr. 1637 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. A.F.J. Caster,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C.P. Wever (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 24 mei 2016, no. 31 (hierna: de bestreden beslissing), heeft verweerder besloten:

I.

aan klager, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen met ingang van de dag van dagtekening van dit landsbesluit, althans

met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag te verlenen met ingang van de dag van dagtekening van het besluit,

II.

betrokkene om redenen in de considerans vermeld, ontslag te verlenen conform artikel 98 lid 1 sub d indien betrokkene onherroepelijk wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, zulks met ingang van het onherroepelijk worden van de veroordeling.

Op 24 juni 2016 heeft klager hiertegen bezwaar gemaakt, door indiening van een pro-forma bezwaarschrift via fax. Op 7 juli 2016 heeft klager een bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 14 november 2016, alwaar zijn verschenen klager in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

Ten exceptieve

2.1

Klager heeft ten exceptieve aangevoerd, dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven nu de minister van Financiën en Overheidsdiensten onbevoegd is om de voordracht voor ontslag ten aanzien van hem te doen. Volgens klager ressorteert hij onder de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, zodat slechts deze minister bevoegd is zijn ontslag voor te dragen.

2.2

Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Lma, voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan. De bestreden beslissing is genomen door de Gouverneur en is derhalve niet onbevoegd genomen.

Het ontslagbesluit

2.3

Aan het aan klager opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat het vertrouwen in hem in ernstige mate is geschonden en dat er naar aanleiding van zijn handelen zodanig ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van zijn integriteit dat het niet meer wenselijk is dat hij in dienst blijft van het Land.

Het wettelijk kader

2.4

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

De feiten

2.5

Bij de beantwoording van de vraag of klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.5.1

Klager is ambtenaar vanaf 1 maart 1996. Klager was politieambtenaar tot 1 juli 2005. In 2003 en 2005 is klager strafrechtelijk veroordeeld terzake van mishandeling (2x) en als ambtenaar door misbruik van gezag iemand dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Vanaf 2 april 2007 is klager op non-actief gesteld.

2.5.2

Klager is op 14 juni 2015 in verzekering gesteld als verdacht van het plegen van mishandeling met gebruikmaking van wapenen.

2.5.3

Bij brief van 19 augustus 2015 is klager terzake van deze verdenking door het bevoegde gezag ter verantwoording geroepen.

2.5.4

In zijn verantwoordingsbrief van 8 september 2015 heeft klager ontkend zich aan mishandeling met een wapen of aan plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt. Volgens klager was hij op 13 juni 2015 in een bar, toen een woordenwisseling tussen hem en ene Wester ontstond. Die Wester verkeerde zodanig onder invloed van alcohol dat hij bij het opstaan zijn evenwicht verloor en struikelde over een aantal stoelen. Hij kwam op klager af en raakte zodoende gewond, aldus klager.

2.5.5

Op 8 september 2016 is klager strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling, gepleegd op 13 juni 2015. Hem is een gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren opgelegd en een taakstraf. Dit vonnis is diezelfde dag in kracht van gewijsde gegaan.

2.6

Dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim staat thans vast. Niet in geschil is immers dat hij een strafbaar feit, namelijk mishandeling, heeft gepleegd, dat hij daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld en dat hij heeft berust in die veroordeling. Dat voor een non-actieve ambtenaar geen verplichtingen gelden, zoals door klager betoogd, vindt geen steun in de wet. Bovendien geldt volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken dat ook het overtreden van een voorschrift in de privésfeer kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Verweerder was dus bevoegd klager een sanctie op te leggen.

2.7

Gelet op de aard en de ernst van het door klager gepleegde plichtsverzuim, acht het gerecht het gegeven disciplinair ontslag niet onevenredig zwaar. Daar komt nog bij dat klager een gewaarschuwd mens was, nu hij gedurende zijn loopbaan bij de overheid tot drie maal toe strafrechtelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder mishandeling. Die eerdere veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden zich thans weer schuldig te maken aan een strafbaar feit.

2.8

Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het gerecht het volgende.

Reeds vanwege het feit dat klager een non-actieve ambtenaar is en de door hem genoemde gevallen dat niet zijn, maakt dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Dat, zoals klager stelt, in het geval van deze (niet non-actieve) ambtenaren, die al dan niet strafrechtelijk zijn vervolgd en al dan niet tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zijn veroordeeld, niet de disciplinaire straf van ontslag is opgelegd leidt niet tot het oordeel dat verweerder daar in het onderhavige geval vanaf had moeten zien. Het beroep faalt.

2.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter zitting van maandag 6 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).