Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:123

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
G 8 van 2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Vordering van verschillende bedragen wegens overlast van aan buren toebehorende bomen en zaken. Gedeeltelijke toewijzing van kostenposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2017

Registratienummer: G 8 van 2017

Datum uitspraak: 27 september 2017

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonend te Bonaire,

eiser,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

tegen

de erven van [erflater] en

[gedaagde sub 2],

allen wonend te Bonaire dan wel elders in Nederland,

gedaagden,

gemachtigde: mr. L.M.G. Dundas.

Het procesverloop

1. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 1 juni 2017 van [eiser];

  • -

    het verweerschrift van 27 juni 2017 van [gedaagden];

  • -

    aanvullende producties van 21 augustus 2017 van [eiser];

  • -

    aanvullende producties van 29 augustus 2017 van [gedaagden];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2017.

2. Daarna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

Het verzoek

3. [ [eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een gerechtelijk

bevel tot betaling uit te vaardigen tegen [gedaagden] en [gedaagden] te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van US$ 1.643,13 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure. De vordering van [eiser] bestaat uit een zestal deelvorderingen: voor het verwijderen van bomen en illegaal gebouwde wc/washok US$ 250,-, voor het snoeien van kokosbomen US$ 250,-, voor materiaal herstel verwijderde omheining US$ 97,43, voor loon herstel verwijderde omheining US$ 150,-, voor kosten van advocaat Nicolaas US$ 371,- en voor het inhuren van beveiliging US$ 524,70.

4. [ [eiser] heeft aangevoerd dat deze kosten het gevolg zijn van schade veroorzaakt

door meerdere door [gedaagden] jegens hem gepleegde onrechtmatige handelingen. [eiser] baseert zijn vordering op artikel 6:162 BW BES.

Het verweer

5. [gedaagden] hebben verweer gevoerd, dat -kort gezegd- op het volgende

neerkomt. De kosten die [eiser] heeft gemaakt waren niet noodzakelijk. [gedaagden]

hebben zich jegens [eiser] bereid verklaard de bomen te verwijderen, het washok weg

te halen en de kokosbomen te snoeien. Dat laatste hebben zij ook gedaan, en wel een

aantal dagen voordat [eiser] zelf de bomen heeft laten snoeien. De omheining hebben

zij verwijderd, omdat [eiser], hoewel zij hem hadden verzocht daarvoor zorg te

dragen, de omheining niet zelf heeft verwijderd. De kosten van advocaat Nicolaas

zijn volgens [gedaagden] onterecht, omdat het niet zo ver had hoeven komen als

[eiser] zou hebben meegewerkt aan de behandeling van een eerder door hem bij dit

Gerecht aanhangig gemaakte zaak. De behandeling van die procedure kon geen

doorgang vinden, omdat [eiser] werd vertegenwoordigd door een gemachtigde die

daartoe niet bevoegd was. De gevorderde kosten voor beveiliging zijn volgens

[gedaagden] niet terecht opgevoerd, daar er op geen enkel moment sprake was van

dreiging of onveiligheid die noodzaakte tot beveiliging. [gedaagden] concluderen tot

afwijzing van de vordering van [eiser].

De beoordeling

6. [ [eiser] grondt zijn vordering op artikel 6:162 BW BES. Voor een onrechtmatige

daad dient er (onder andere) sprake te zijn van een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

7. Ten aanzien van de vordering voor vergoeding van de kosten voor verwijdering van de (fruit)bomen en het washok geldt het volgende. [gedaagden] erkennen dat de bomen op het terrein stonden waarvan het recht van erfpacht bij [eiser] berust. Uit de niet bestreden stellingen van [gedaagden] blijkt dat zij zelf bereid waren de bomen en het washok te verwijderen. Het maken van deze kosten was dan ook niet noodzakelijk. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagden] jegens [eiser], waardoor deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

8. [ eiser] vordert vergoeding van de kosten voor het snoeien van de kokosbomen.

Op grond van artikel 5:44 eerste lid BW BES kon [eiser] de kokosbomen zelf snoeien indien [gedaagden] na daartoe door [eiser] te zijn aangemaand niet tot verwijdering van die takken zouden overgaan. [gedaagden] zijn echter zelf al op 6 september 2016 begonnen met het snoeiwerk. [eiser] is vervolgens eigenmachtig meer palmbladeren gaan verwijderen, zonder dat hij daaraan voorafgaand [gedaagden] heeft aangemaand ook die te verwijderen. Nu aan de verwijdering door [eiser] geen aanmaning vooraf is gegaan heeft [eiser] geen recht op vergoeding van de door hem gemaakte kosten. Deze kosten zijn dan ook niet toewijsbaar.

9. [ gedaagden] hebben niet weersproken dat de omheining die door hen is

weggehaald op kosten van [eiser] was geplaatst. Het weghalen van deze omheining vormt een inbreuk op het recht van erfpacht van [eiser]. Het stond de erven dan ook niet vrij deze omheining die geheel of gedeeltelijk aan [eiser] toebehoorde eigenmachtig te verwijderen. De kosten voor het plaatsen van de nieuwe omheining dienen door [gedaagden] aan [eiser] te worden vergoed. Deze vordering is toewijsbaar tot een bedrag van $ 247,43. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift.

10. De advocaatkosten zijn kosten ter voorbereiding op de procedure, zodat deze kosten niet voor afzonderlijke toewijzing in aanmerking komen.

11. Door [eiser] is onvoldoende gesteld dat de bedreiging door [gedaagden] dusdanig ernstig was dat het inhuren van beveiliging noodzakelijk was. Hoewel [eiser] wel de politie heeft gebeld omdat hij door een van [gedaagden] zou worden bedreigd heeft hij daarvan geen aangifte gedaan. Ook uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt niet de ernst van de beweerde bedreiging door [gedaagden]. Deze kosten komen ook niet voor vergoeding in aanmerking.

12. Aangezien het onderhavige geschil voorkomt uit een ontspoorde familierelatie ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het Gerecht:

Veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiser] een bedrag van $ 247,43, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 tot de dag der algehele betaling.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.M. van den Dungen, rechter in het Gerecht voormeld en uitgesproken op bovengenoemde datum in tegenwoordigheid van de griffier.