Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:12

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
GAZA nr. 1550 van 2016
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij bestreden beschikking heeft verweerder klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, en derde lid, aanhef en onder c, van de Lma de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter grootte van Afl. 1.500,- opgelegd. Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Klager betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 maart 2017

GAZA nr. 1550 van 2016

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. M.O Lopez,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 30 mei 2016, no. 1 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, en derde lid, aanhef en onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter grootte van Afl. 1.500,- opgelegd.

Op 29 juni 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.

Op 18 augustus 2016 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2016, waar klager, bijgestaan door voornoemde gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, kan de disciplinaire straf gedeeltelijke inhouding van het inkomen worden toegepast.

2.2

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager, werkzaam als hoofd van de Afdeling Financiën van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat volgens een rapport van Compliance & Forensic Services Caribbean N.V. (hierna: FSC) van 29 januari 2015 (hierna: het rapport) in mei 2014 onregelmatigheden hebben plaatsgevonden bij deze afdeling. Daarbij is door een arbeidscontractant, werkzaam als ondergeschikte onder de chef financiële administratie, welke laatste op zijn beurt als ondergeschikte onder klager werkt, (hierna: de arbeidscontractant) een geldbedrag uit de zogenoemde “Diensten aan Derden (DAD)-kas” onrechtmatig onttrokken. De instroom van gelden in het DAD-fonds hield verband met de keuringen die de SVB namens de directie Openbaar Personenvervoer is gaan verrichten, nadat zij daartoe op 1 maart 2011 door de minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur was aangewezen. De arbeidscontractant heeft gedurende een bepaalde periode nagelaten boekingen van inkomende gelden ten behoeve van het DAD-fonds te doen en deze gelden te storten. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar voormeld rapport op het standpunt gesteld dat deze onregelmatigheden mede hebben kunnen plaatsvinden door verwijtbare nalatigheid van klager. Klager wordt onder meer verweten dat hij heeft nagelaten periodieke controles van de desbetreffende documenten uit te voeren en gefaald heeft in zijn toezicht op de voortgang en de kwaliteit van de werkzaamheden, in het toezicht op de deeladministratie en in het bewaken van de interne procedures ten behoeve van het beheer van middelen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat klager in zijn hoedanigheid van hoofd van de Afdeling Financiën verantwoordelijk is voor het bewaken van procedures, processen en de betrouwbaarheid van de administratie.

2.3

Klager betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daartoe voert hij aan dat de controles, waarvan hem wordt verweten dat hij ze heeft nagelaten, niet onder zijn verantwoordelijkheid vallen, maar onder die van de aan hem ondergeschikte chef financiële administratie. Klager heeft de chef financiële administratie diverse malen op zijn verantwoordelijkheden gewezen, maar deze heeft daar vervolgens niet naar gehandeld. Voorts is hij weliswaar verantwoordelijk voor het bewaken van de procedures, processen en de betrouwbaarheid van de administratie, maar heeft hij steeds naar deze verantwoordelijkheid gehandeld door de directeur van de SVB, als eindverantwoordelijke, op de hoogte te stellen van het disfunctioneren van de chef financiële administratie, aldus klager. Het was volgens klager vervolgens aan de directeur om maatregelen te treffen die de plaatsgevonden onregelmatigheden hadden kunnen voorkomen, zoals het overplaatsen van de chef financiële administratie naar een andere afdeling.

2.3.1

Dit betoog faalt. In het in beroep aangevoerde kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aan klager verweten nalaten, zoals hiervoor onder 2.2 is vermeld, kan worden aangemerkt als plichtsverzuim, in de zin van artikel 82 van de Lma. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een leidinggevende positie, zoals die van klager, met zich brengt dat van betrokkene verwacht kan worden dat deze ook onder minder gunstige werkomstandigheden zijn taken uitvoert. Een en ander vloeit voort uit de plichten en verantwoordelijkheden die de functie van hoofd van een afdeling met zich brengen. In dit licht bezien brengt de enkele gestelde verstoorde werk- en gezagsverhouding tussen klager en de chef financiële administratie niet met zich dat klager heeft kunnen volstaan met de constatering dat deze laatste de hem opgedragen controletaken niet uitvoerde en de mededeling daarvan aan de directeur. Verweerder heeft zich in dit verband niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat klager aan zijn constatering dat, zoals gesteld, de chef financiële administratie had nagelaten de desbetreffende geldstromen te controleren, consequenties had dienen te verbinden, zoals het nagaan waardoor de achterstanden in boekingen en stortingen bij de arbeidscontractant en die in controles daarop door de chef financiële administratie werden veroorzaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals door verweerder te kennen gegeven, aan de Afdeling Financiën ieder kwartaal een overzicht van de verrichtte keuringen werd overgelegd, aan de hand waarvan de boekingen van de facturen voor deze keuringen en de betalingen daarvan konden worden gecontroleerd. Evenzeer heeft verweerder zich in dit verband niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat klager zich niet van zijn taken en verantwoordelijkheden heeft gekweten met de enkele melding aan de directeur dat de chef financiële administratie ter zake geen controles uitvoerde. De verantwoordelijkheid die een hoofd van een afdeling voor het functioneren van die afdeling heeft, brengt met zich dat van klager zelf enig handelen mag worden verwacht ter bewaking van de betrouwbaarheid van de administratie en aldus van het functioneren van zijn afdeling.

2.4

Het bezwaar is ongegrond.

2.5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken op maandag 6 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).