Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:119

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
AUA201700150
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klager heeft betoogd dat de afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt. Het bezwaar is gegrond. De afwijzing wordt vernietigd. De rechter verklaart het bezwaar gegrond, vernietigt de afwijzing en bepaalt dat de rechtsgevolgen van de afwijzing geheel in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 november 2017

AUA201700150

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 9 november 2015 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) klager te kennen gegeven, dat zijn verzoek om bevordering naar de functie van hoofd arbeid (schaal 9) niet voor inwilliging vatbaar is.

Daartegen heeft klager op 2 maart 2017 bij het gerecht bezwaar gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 juni 2017, alwaar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Op 27 juni 2017 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Op 14 juli 2017 heeft klager nadere stukken ingediend.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klager heeft het bezwaarschrift na de in artikel 41, eerste lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend. Hij heeft echter aangevoerd voormelde brief van 9 november 2015 eerst op 3 februari 2017 te hebben ontvangen. Verweerder heeft dit niet betwist en het tegendeel blijkt evenmin uit de stukken. Dit betekent dat het op 2 maart 2017 ingekomen bezwaarschrift binnen de in artikel 41, derde lid, van de La gestelde termijn is ingediend. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar.

2.3

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften onder het bevoegde gezag de Gouverneur verstaan.

2.4

In zijn uitspraken van 26 juli 2016, RvBAz 2014/71419, en van 16 februari 2017, RvBAz 2015/74637, heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken voorop gesteld dat de inhoudelijke beslissing op een verzoek om bevordering van een ambtenaar alleen door de Gouverneur bevoegd genomen kan worden. Dat houdt in dat ook de afwijzing van een dergelijk verzoek aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden. Dit betekent dat de in de brief van 9 november 2015 vervatte afwijzing onbevoegd is genomen en reeds op grond hiervan vernietigd dient te worden.

2.5

Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd te kennen gegeven eveneens door verweerder te zijn gemachtigd hem in deze zaak te vertegenwoordigen en dat deze de rechtsgevolgen van de afwijzing voor zijn rekening neemt. Nu daarmee het bevoegdheidsgebrek geheeld is, zal het gerecht bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand te laten.

2.6

Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager niet in het bezit is van het diploma Middle Management, hetgeen een van de vereisten is voor bevordering naar schaal 9.

2.7

Klager heeft in het bezwaarschrift betoogd dat de afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu zijn collega’s [A] en [B], die evenmin in het bezit zijn van het daarvoor vereiste diploma, bevorderd zijn naar schaal 9. Tevens heeft klager in dit verband verwezen naar collega [C], die zonder in het bezit te zijn van het daartoe vereiste diploma Midden Kader zou zijn bevorderd naar schaal 8.

2.7.1

Het betoog faalt. Tussen partijen is niet in geschil en ook het gerecht stelt vast dat het in het bezit zijn van het diploma Middle Management een vereiste is voor bevordering naar schaal 9. Tussen partijen is voorts niet meer in geschil en ook het gerecht stelt vast, aan de hand van de door verweerder overgelegde salarisoverzichten, dat voornoemde [A] en [B] weliswaar niet in het bezit zijn van het diploma Middle Management, maar zijn ingeschaald in schaal 8, dienstjaar 11. Verder heeft verweerder, onder overlegging van een daartoe strekkend landsbesluit, onbetwist gesteld dat voornoemde [C] eerst na het behalen van het daarvoor vereiste diploma Midden Kader bevorderd is naar schaal 8.

2.8

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van de afwijzing geheel in stand kunnen blijven.

2.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt de afwijzing;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de afwijzing geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 27 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).