Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:116

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
GAZA nr. AUA201700866
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerecht in Ambtenarenzaken Aruba (Gaza) - Het gerecht is van oordeel dat het bestreden landsbesluit onvoldoende inzicht biedt in hoeverre daarbij de uitspraak van het gerecht van 29 augustus 2016 in acht is genomen. Met name blijkt uit het landsbesluit niet met voldoende duidelijkheid welke gedragingen thans aan de opgelegde sanctie ten grondslag zijn gelegd. In het landsbesluit worden wederom een groot aantal gedragingen genoemd, gevolgd door de overweging dat 'dergelijke gedragingen’ niet kunnen worden getolereerd. Welke specifieke gedragingen aan klager worden verweten kan aldus niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 4 december 2017

GAZA nr. AUA201700866

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 4 april 2017, no. 1, heeft verweerder besloten aan klager, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder d, in samenhang met het derde lid, onder c, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ten bedrage van Afl. 750,- op te leggen.

Op 18 mei 2017 heeft klager hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 25 september 2017 stukken ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 2 oktober 2017, alwaar zijn verschenen klager bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klager heeft onweersproken gesteld dat hij de bestreden beschikking op 26 april 2017 heeft ontvangen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Het gerecht gaat er daarom van uit dat hij zijn bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop hij de bestreden beschikking heeft ontvangen. Klager is derhalve ingevolge artikel 41, derde lid, van de La ontvankelijk in zijn bezwaar.

Inhoudelijk

2.3

Bij landsbesluit van 14 januari 2016, no. 2, heeft verweerder besloten aan klager met toepassing van artikel 83, derde lid, sub d, van de Lma de disciplinaire straf van terugzetting in de bezoldiging voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen voor de duur van 2 jaren op te leggen.

2.4

Bij uitspraak van het gerecht van 29 augustus 2016, GAZA nr. 291 van 2016, is het landsbesluit van 16 januari 2016 no. 2 vernietigd omdat verweerder ter terechtzitting heeft aangeven dat een groot deel van de aan klager verweten gedragingen ten onrechte in het besluit zijn opgenomen. Gelet hierop is het bestreden besluit naar het oordeel van het gerecht onzorgvuldig tot stand gekomen en kleefde er een motiveringsgebrek aan.

2.5

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder besloten aan klager, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder d, in samenhang met het derde lid, onder c, van de Lma de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ten bedrage van Afl. 750,- op te leggen. Het gerecht is van oordeel dat het bestreden landsbesluit onvoldoende inzicht biedt in hoeverre daarbij de uitspraak van het gerecht van 29 augustus 2016 in acht is genomen. Met name blijkt uit het landsbesluit niet met voldoende duidelijkheid welke gedragingen thans aan de opgelegde sanctie ten grondslag zijn gelegd. In het landsbesluit worden wederom een groot aantal gedragingen genoemd, gevolgd door de overweging dat 'dergelijke gedragingen’ niet kunnen worden getolereerd. Welke specifieke gedragingen aan klager worden verweten kan aldus niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Ook aan dit landsbesluit kleeft derhalve een motiveringsgebrek.

2.6

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar gegrond is en het bestreden landsbesluit moet worden vernietigd.

2.7

Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt het landsbesluit van 4 april 2017 no. 1;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter zitting van maandag 4 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).