Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:114

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
AUA201700961
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder is het gerecht van oordeel dat verweerder niet pas na bijna acht jaren, het niet voldoen aan de voor de functie relevante vereisten aan klager kan tegenwerpen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom klagers rechtspositie niet eerder dan bij bestreden landsbesluit is rechtgetrokken. Het bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 20 november 2017

AUA201700961

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager] ,

wonend te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de Gouverneur van Aruba ,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 11 april 2017, no. 5, is klager onder meer met ingang van 1 september 2009 benoemd in de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9) en met ingang van 1 september 2015 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker B (schaal 3, dienstjaar 10).

Hiertegen heeft klager op 31 mei 2017 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 27 juli 2017 een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 oktober 2017, alwaar zijn verschenen klager in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

2.1

Klager heeft onbetwist gesteld dat hij eerst op 2 mei 2017 van de bestreden beschikking op de hoogte is geraakt. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Dit betekent dat het bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn, gesteld in artikel 41, derde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La). Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.2

Klager stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat hij bij de bestreden beschikking ten onrechte met ingang van 1 september 2009 benoemd is in de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9) en met ingang van 1 september 2015 bevorderd is naar de rang van onderhoudsmedewerker B (schaal 3, dienstjaar 10). Ten onrechte wordt hem tegengeworpen dat hij zijn gestaafde werkervaring tardief heeft ingediend en dat zijn bevordering wegens een ongunstige beoordeling met één jaar is vertraagd, aldus klager. Klager meent dan ook dat hij met ingang van 1 september 2013 ingeschaald dient te worden in schaal 3 en met ingang van 1 september 2017 in schaal 4.

2.3

Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat klager zijn gestaafde relevante werkervaring niet bij zijn indiensttreding heeft ingediend. Klager beschikt niet over de relevante opleiding en had bij zijn indiensttreding de gestaafde relevante werkervaring moeten indienen, aldus verweerder. Klager is nimmer in bezwaar gegaan tegen de landsbesluiten waarbij zijn functie maximaal op het niveau van schaal 4 is gewaardeerd. Door de verlate inlevering van de gestaafde relevante werkervaring diende klager her ingeschaald te worden. Daarnaast heeft verweerder besloten om de anciënniteit van de bevordering van klager met één jaar te vertragen nu klager niet in het bezit is van het vereiste diploma en vanwege een ongunstige beoordeling van klager. Verweerder meent dat hij, gelet op het vorenstaande, in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.

Het wettelijk kader

2.4

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

De feiten

2.5

Bij landsbesluit van 14 november 2011 is klager met ingang van 1 september 2009 in tijdelijke dienst benoemd in de functie van 2e projectmedewerker Infrastructuur en Verkeer bij de Dienst Openbare Werken (DOW) (schaal 1, dienstjaar 7).

2.5.1

Bij landsbesluit van 27 april 2012 is klager met ingang van 1 oktober 2011 in vaste dienst benoemd in de functie van onderhoudsmedewerker D (schaal 1, dienstjaar 8).

2.5.2

Bij landsbesluit van 16 juni 2015 is klager met ingang van 1 september 2013 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9).

2.5.3

Bij bestreden landsbesluit van 11 april 2017 werden de landsbesluiten van 14 november 2011 no. 18 en van 16 juni 2015 no. 24 ingetrokken en is klager met ingang van 1 september 2009 benoemd in de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9) en met ingang van 1 september 2015 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker B (schaal 3, dienstjaar 10) en is het dictum van het landsbesluit van 27 april 2012 gewijzigd in dier voege dat bij de vermelde bezoldiging, schaal en dienstjaar komt te staan “Afl. 27.420,- ’s jaars (schaal 2, dienstjaar 11).

De beoordeling

2.6

De vraag die beantwoord dient te worden is of verweerder in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing om klager met ingang van 1 september 2009 in de rang van onderhoudsmedewerker C te benoemen en met ingang van 1 september 2015 naar de rang van onderhoudsmedewerker B te bevorderen, heeft kunnen komen.

Het gerecht overweegt hiertoe als volgt.

2.6.1

Klager is sedert 1 september 2009 in dienst getreden bij de DOW. Ter zitting heeft klager aangevoerd dat hij sinds zijn indiensttreding de functie van bediener zwaar materieel heeft uitgevoerd. Bij landsbesluit van 16 juni 2015 is klager bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9). Klager voert voorts aan dat hij bij zijn indiensttreding de gevraagde relevante documenten inzake zijn opleiding en relevante werkervaring bij de DOW heeft ingediend. Hierna heeft klager meerdere malen zijn dienst benaderd om na te gaan of de door hem ingediende stukken naar het Departamento Recurso Humano (DRH) zijn doorgestuurd, maar later bleek dat zijn stukken bij de DOW kwijt waren geraakt. Klager heeft ter zitting kopieën van zijn diploma’s c.q. certificaten overgelegd, maar kon van de andere door hem bij de DOW ingediende stukken geen kopieën overleggen daar hij bij de indiening daarvan bij de DOW geen kopieën voor zichzelf heeft gehouden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het de verantwoordelijkheid van klager blijft om er voor zorg te dragen dat verweerder over de juiste informatie inzake zijn opleiding en werkervaring beschikt om hem in de juiste rang te kunnen inschalen. Pas na onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank (SVb) is gebleken dat klager niet althans tardief zijn gestaafde werkervaring heeft ingediend. Reden waarom toen is besloten om klager te herinschalen. Verweerder betoogt voorts dat van verweerder niet kan worden verwacht dat hij de rechtspositie van klager moet handhaven, terwijl hij niet kan bewijzen dat hij over de voor de functie vereiste opleiding en/of werkervaring beschikt.

Dit betoog faalt. Anders dan verweerder is het gerecht van oordeel dat verweerder niet pas na bijna acht jaren, het niet voldoen aan de voor de functie relevante vereisten aan klager kan tegenwerpen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom klagers rechtspositie niet eerder dan bij bestreden landsbesluit is rechtgetrokken. Het gerecht is van oordeel dat indien verweerder meende dat klager niet aan tot de functie verbonden vereisten voldeed, dat hij klagers rechtspositie meteen ofwel sneller dan na acht jaren had moeten rechttrekken. Verweerder had bij de inschaling van klager en/of bij de bij landsbesluit van 16 juni 2015 met ingang van 1 september 2013 toegekende bevordering naar de rang van onderhoudsmedewerker C (schaal 2, dienstjaar 9) kunnen nagaan of klager de nodige informatie al dan niet had ingediend. Klager heeft zelf meerdere malen bij zijn dienst nagegaan of de door hem ingediende stukken naar het DRH waren doorgestuurd, doch zonder resultaat. Dat verweerder thans, bijna acht jaar na klagers indiensttreding aan hem tegenwerpt dat hij niet voldoet aan de aan de functie verbonden vereisten althans niet dan wel tardief de nodige informatie ten behoeve van zijn inschaling heeft ingediend, acht het gerecht niet redelijk. Reeds om deze grond dient het bezwaar van klager gegrond te worden verklaard en dient de bestreden beschikking te worden vernietigd.

2.7

Ten overvloede dient vermeld te worden dat met de vernietiging van de bestreden beschikking van 11 april 2015, de bij de bestreden beschikking vernietigde landsbesluiten van 14 november 2012 en 16 juni 2015 opnieuw tot leven komen. Tegen deze landsbesluiten zijn toentertijd geen bezwaar ingediend. Deze landsbesluiten hebben dan ook formele rechtskracht gekregen.

2.8

Het vorenstaande leidt dan ook tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt het landsbesluit van 11 april 2015, no. 5;

veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die

worden begroot op Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, 2e lid, La).