Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2017:101

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
AUA201700075
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht is van oordeel dat de brief een mededeling van feitelijke aard is, niet gericht op enig rechtsgevolg. Bovendien kan de brief niet als een disciplinaire staf worden gezien nu het niet van het bevoegde gezag uitgaat. De brief is derhalve geen beschikking dan wel een andere handeling, genomen of verricht ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en artikel 35, eerste lid van de La. Gelet op het voorgaande is het gerecht onbevoegd om kennis te nemen van het bezwaarschrift. Het gerecht wijst klager op de mogelijkheid om ingevolge artikel 13 van de Landsverordening persoonsregistraties (AB 2011 no. 37) een verzoek om verwijdering van voormelde brief te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 9 oktober 2017

AUA201700075

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

de minister van Algemene Zaken,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 3 juni 2016 van de Gouverneur van Aruba is aan klager medegedeeld dat jegens hem een disciplinair onderzoek is opgestart om te bepalen of hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van artikel 82 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma).

Bij brief van 2 december 2016 heeft verweerder klager bericht dat er besloten is om af te zien van een disciplinaire procedure en dat zal worden overgegaan tot een overplaatsingsprocedure.

Hiertegen heeft klager op 8 februari 2017 (via e-mail) een pro-forma bezwaarschrift ingediend bij dit gerecht. Op 28 maart 2017 heeft hij de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

Op 17 juli 2017 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 21 augustus 2017, alwaar zijn verschenen klager in persoon en verweerder bij zijn procesgemachtigde.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

In de brief van 2 december 2016 is een opsomming gegeven van ongeoorloofde gedragingen van klager. Daarbij wordt hij geïnformeerd dat besloten is om af te zien van een disciplinaire procedure jegens hem en dat zal worden overgegaan tot een overplaatsingsprocedure.

2.2

Klager kan zich niet verenigen met in het schrijven opgenomen verwijten omdat hij meent, naar het gerecht begrijpt, dat hiermee ten onrechte de indruk wordt gewekt dat hij plichtsverzuim heeft gepleegd. Hij verzoekt het gerecht de brief te vernietigen of nietig te verklaren, te bepalen dat verweerder de brief uit zijn personeelsdossier verwijdert en hem vervolgens hiervan schriftelijk te verwittigen. Ter zitting heeft klager te kennen gegeven dat hij inmiddels is overgeplaatst naar het bureau van de ‘city inspector’ en dat hij erg tevreden is met zijn nieuwe functie.

2.3

Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van klager en stelt dat klager op grond van de Landsverordening persoonsregistraties (AB 2011 no. 37) om verwijdering van desbetreffende brief had moeten verzoeken.

2.4

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de La – voor zover hier van belang – oordeelt over de beschikkingen, handelingen en weigeringen (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van ambtenaren als zodanig, door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, bij uitsluiting in eerste aanleg het gerecht in ambtenarenzaken en in hoger beroep de raad van beroep in ambtenarenzaken.

2.5

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de La kan een bezwaarschrift – voor zover hier van belang – worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

2.6

Het gerecht is van oordeel dat de brief van 2 december 2016 een mededeling van feitelijke aard is, niet gericht op enig rechtsgevolg. Bovendien kan de brief niet als een disciplinaire staf worden gezien nu het niet van het bevoegde gezag uitgaat. De brief is derhalve geen beschikking dan wel een andere handeling, genomen of verricht ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en artikel 35, eerste lid van de La. Gelet op het voorgaande is het gerecht onbevoegd om kennis te nemen van het bezwaarschrift. Het gerecht wijst klager op de mogelijkheid om ingevolge artikel 13 van de Landsverordening persoonsregistraties (AB 2011 no. 37) een verzoek om verwijdering van voormelde brief te doen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart zich onbevoegd om van het bezwaarschrift kennis te nemen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 9 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).