Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:84

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
GAZ 2015/74513, GAZ 2016/77576
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing (Gereoganiseerd)Korps Politie Curaçao

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Ambtenarenzaken over 2016

uitspraakdatum: 23 november 2016

zaaknummer: GAZ 2015/74513, GAZ 2016/77576

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[Naam],

wonende in Curaçao,

klager, hierna: [Klager],

gemachtigde: mr. R.P. Koeijers,

tegen:

DE REGERING VAN HET LAND CURAÇAO,

verweerster, hierna: de Regering,

gemachtigden: mrs. F.R. Brouwer en L.M. Virginia.

1 Procesverloop

1.1. [

Klager] heeft bij bezwaarschrift dat op 7 juli 2015 ter griffie van het Gerecht is ingediend, bezwaar ingesteld tegen de brief van de Korpschef van het Korps Politie Curaçao van 3 juni 2015. Dat bezwaar is genummerd GAZ 2015/74513.

1.2.

Op 13 oktober 2015 heeft de Regering een contra-memorie ingediend.

1.3.

Op 2 februari 2016 heeft [Klager] bij het Gerecht een bezwaarschrift ingediend tegen het landsbesluit van 3 december 2015, no. 15/4527. Dat bezwaar is genummerd GAZ 2016/77576.

1.4.

De Minister heeft op 20 mei 2016 een contra-memorie ingediend.

1.5.

De bezwaarschriften in beide zaken (GAZ 2015/74513, GAZ 2016/77576) zijn ter zitting van het Gerecht van 12 september 2016 behandeld. [Klager] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de Minister is de Verandermanager van het Gereorganiseerde Korps Politie Curaçao (hierna: GKPC), de heer A.M. Daal, en mr. Brouwer voornoemd verschenen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd conform de door hen overgelegde pleitnota’s. Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Gerecht heeft de Regering een schriftelijke verklaring d.d. 3 oktober 2016 van [naam] overgelegd, waarop (de gemachtigde van) [Klager] bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft gereageerd.

2 Feiten

2.1. [

Klager] was in dienst van het Korps Politie Curaçao (hierna: KPC) in de functie van Medewerker Tactische Recherche.

2.2.

Nadat de Korpsleiding aan [Klager] had meegedeeld dat hij in het Gereorganiseerde Korps Politie Curaçao (GKPC) in de functie van Tactisch Rechercheur VVC zou worden benoemd heeft hij daartegen bezwaar ingesteld bij de Bezwarencommissie, omdat hij, kort gezegd, van mening was dat hij in de functie van Teamleider geplaatst diende te worden.

2.3.

Op advies van de Bezwarencommissie is het bezwaar ongegrond verklaard. In de brief van 3 juni 2015 (zie 1.1) heeft de Korpschef het volgende aan [Klager] meegedeeld:

“(…) De commissie heeft geconstateerd dat u een volgfunctie is aangeboden. De chef Wijkteam Mahuma/Seru Fortuna, mevrouw [naam], werd in dit verband telefonisch geraadpleegd en werden hierbij de door u ingebrachte argumenten verworpen. Uw bezwaar is derhalve ongegrond. (…)”

2.4.

Bij landsbesluit van 3 december 2015 (hierna: het plaatsingsbesluit), dat [Klager] op 6 januari 2016 heeft ontvangen, is [Klager] met ingang van 1 december 2013 in het GKPC benoemd in de functie van Senior Tactisch Rechercheur VVC en bezoldigd conform schaal 8p, trede 10.

3 Beoordeling

3.1.

De benoeming van een ambtenaar van politie in een functie binnen het GKPC geschiedt op grond van een landsbesluit dat door de Minister van Justitie en de Gouverneur is ondertekend. De Korpschef is ten aanzien van de benoeming van een ambtenaar van politie in een bepaalde functie aldus niet het bevoegd gezag. Reeds om die reden kan de brief van de Korpschef niet op rechtsgevolg gericht zijn. Die brief heeft een zuiver informatief karakter, namelijk [Klager] informeren dat het bevoegd gezag in zijn bezwaren geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op het aan hem kenbaar gemaakte voornemen om hem in het GKPC in de functie van Senior Tactisch Rechercheur VVC te plaatsen. Ingevolge artikel 3 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: RAR), staat tegen die brief geen bezwaar open bij het Gerecht, zodat het Gerecht niet bevoegd is om daarover te oordelen.

3.2.

De wijziging van de rechtspositie van [Klager] heeft op grond van het plaatsingsbesluit plaatsgevonden. Tegen dat besluit staat ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de RAR bezwaar open bij het Gerecht. Het Gerecht is derhalve bevoegd om over dat besluit te oordelen.

3.3.

Niet in geschil is dat het Convenant Reorganisatie KPC van toepassing is op de overplaatsing van [Klager] van het KPC naar het GKPC. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g van het Convenant worden ambtenaren van politie op grond van het principe “mens volgt functie” geplaatst, hetgeen betekent dat de ambtenaar van politie de taken en werkzaamheden die hij verrichtte in zijn oude functie binnen het KPC in het GKPC zoveel mogelijk blijft uitoefenen. In verband daarmee is aan de ambtenaren van politie een “volgfunctie” aangeboden. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h van het Convenant is een volgfunctie een functie binnen het GKPC waarin een ambtenaar van politie conform het “mens volgt functie principe” wordt geplaatst, dus een functie die qua taakinhoud voor 2/3 deel of meer overeenkomt met de functie die de betrokken ambtenaar gedurende de periode van minstens drie jaar voorafgaand aan de implementatie van het inrichtingsplan Curaçao (lees: de periode van eind november 2010-eind november 2013, hierna: de toetsingsperiode) bekleedde.

3.4. [

Klager] heeft, voor zover thans van belang, gesteld dat hij al voor de toetsingsperiode en ook daarna feitelijk belast was met de functie van Teamleider en dat hij dan ook in die functie had moeten worden benoemd in het GKPC. Ter onderbouwing daarvan heeft [Klager] onder meer een verklaring overgelegd van de gewezen inspecteur R.T. [naam], die vanaf 2008 tot aan zijn pensionering in 2012 werkzaam was als Coördinator bij het Wijkteam Mahuma/Seru Fortuna, waar ook [Klager] vanaf 2004 werkzaam was.

3.5.

De Regering heeft het verweer gevoerd dat het Veranderteam, dat belast was met het onderzoek naar aanleiding waarvan moest worden vastgesteld in welke functie de ambtenaren van het KPC in het GKPC moest worden geplaatst, van de direct leidinggevende van [Klager], hoofdinspecteur [naam] (hierna: [de hoofdinspecteur]), heeft vernomen dat, kort gezegd, de werkzaamheden die [Klager] in de toetsingsperiode heeft uitgevoerd niet overeenkomen met (minstens 2/3 deel van) de werkzaamheden van Teamleider, maar wel (grotendeels) overeenkomen met de werkzaamheden behorende bij de functie van Senior Tactisch Rechercheur. [Klager] is dan ook, aldus de Regering, terecht in laatstgenoemde functie benoemd.

3.6.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Gerecht, heeft de Regering na de zitting ter onderbouwing van het voorgaande een schriftelijke verklaring overgelegd van [de hoofdinspecteur]. Uit die verklaring kan niet worden afgeleid dat [de hoofdinspecteur] gedurende de toetsingsperiode de direct leidinggevende was van [Klager], terwijl daarvan afhangt of zij al dan niet de aangewezen persoon was om het Veranderteam in te lichten over de werkzaamheden die [Klager] in de toetsingsperiode heeft verricht. Verder kan uit de verklaring van [de hoofdinspecteur] worden afgeleid dat het Veranderteam niet een uitvoerig gesprek met haar heeft gevoerd over de door [Klager] in de toetsingsperiode uitgevoerde werkzaamheden, terwijl dat in het kader van een zorgvuldige plaatsingsprocedure wel op zijn plaats was geweest. In haar verklaring heeft [de hoofdinspecteur] immers vermeld dat zij telefonisch is benaderd door een lid van de Bezwaarcommissie, dat aan haar vroeg of [Klager] de leiding had over het rechercheteam van het voormalige wijkteam Mahuma/Seru Fortuna. Zij heeft verklaard dat zij op die vraag heeft geantwoord: “Ik gaf te kennen dat dit niet het geval was, omdat de heer [naam] belast was met de leiding over het rechercheteam te voormalige Wijkteam Mahuma Seru Fortuna”.

3.7.

In de door [Klager] overgelegde verklaring van [naam] is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld: “(…) In het jaar 2004 werd ons wijkteam in opdracht van de toenmalige Chef Algemene Politiedienst, de commissaris [naam], verstrekt met de brigadier [Klager] die als tactisch rechercheur overvloeide van het Bureau Tactische recherche.

Door de Chef wijkteam werd aan de teamleiders doorgegeven, dat de taakopdracht van [Klager] was, het rechercheteam te formaliseren en als begeleider daarvan op te treden. In deze werd enige medewerker aan hem toegewezen waarbij een aanvang werd gemaakt aan het opsporingsproces.

Tot mijn dienstverlating in het jaar 2012, was [Klager] aan één sluitend belast met opsporingswerkzaamheden en begeleiding van medewerkers die in de vorm van roulatie aan zijn scholing werden toevertrouwd.

[Klager] heeft in de acht jaren dat ik hem mocht ervaren, bewezen goede kennis te hebben van de opsporingstechnieken en tactieken. Zelfstandig onderzoeken te analyseren en uit te werken. Goede contactuele eigenschappen te hebben. Groepen te begeleiden en aan te sturen. Aanspreekpersoon te zijn van het openbaar ministerie. Beslissingen te nemen en deze te onderbouwen. Goed overzicht over onderzoeken te hebben en zorgen voor een goede taakverdeling. Beschikt over veel informatie voor wat betreft het criminaliteitsgebeuren in het algemeen.

[Klager] beschikt over de nodige kwaliteiten, waaronder kennis, overzicht, vaardigheden, om de functie van teambegeleider/teamleider binnen een onderzoeksteam uit te voeren. (…)”

3.8.

In het licht van bovenstaande verklaring had van de Regering mogen worden verwacht dat zij in het kader van het door haar gevoerde verweer nader zou motiveren waarom de door [Klager] uitgevoerde werkzaamheden, hoewel [Klager] dus kennelijk ook leidinggevende taken had, onvoldoende waren voor benoeming in de functie van Teamleider in het GKPC. Nu die nadere motivering is uitgebleven, heeft de Regering de stelling van [Klager] dat de door hem in de toetsingsperiode uitgevoerde werkzaamheden (grotendeels) overeenkomen met de taken behorende bij de functie van Teamleider, onvoldoende weersproken.

3.9.

Ook in het kader van de bezwaarprocedure had van de Regering mogen worden verwacht dat zij op zorgvuldige wijze onderzoek zou doen naar de door [Klager] in de toetsingsperiode verrichte werkzaamheden en niet zou volstaan met het telefonisch stellen van een algemene vraag aan een leidinggevende/collega van [Klager].

3.10.

Op grond van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de Regering onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de plaatsing van [Klager] in het GKPC. Aldus kan niet worden geoordeeld dat de Regering [Klager] in redelijkheid in de functie van Senior Tactisch Rechercheur VVC had mogen plaatsen. Dat brengt met zich dat het Gerecht het plaatsingsbesluit van 3 december 2015 nietig zal verklaren.

3.11.

In het licht van het voorgaande behoeft hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd geen bespreking.

3.12.

In de nietigverklaring van het plaatsingsbesluit van 3 december 2015 ziet het Gerecht aanleiding om te bepalen dat de Regering [Klager] ten laste van de landskas een vergoeding dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van juridische bijstand. De vergoeding bepaalt het Gerecht naar analogie van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2 punten (voor bezwaarschrift en zitting) à NAf 700,- per punt, zijnde aldus totaal NAf 1.400,-.

4 Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart zich niet bevoegd om kennis te nemen van het bezwaar tegen de brief van de Korpschef van 3 juni 2015 (zaak no. GAZ 2015/74513);

- verklaart het bezwaar tegen het plaatsingsbesluit van 3 december 2015 (zaak no. GAZ 2016/77576) gegrond;

- verklaart het plaatsingsbesluit van 3 december 2015 nietig;

- draagt de Regering op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw landsbesluit te slaan op grond waarvan [Klager] binnen het GKPC wordt geplaatst;

- bepaalt dat de Regering ten laste van de landskas een bedrag van NAf 1.400,- aan [Klager] dient te betalen als bijdrage in zijn kosten van juridische bijstand.

Aldus uitgesproken door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAR.