Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:81

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
GAZ 2015/74461 en GAZ 2016/78761
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing (Gereoganiseerd)Korps Politie Curaçao

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Ambtenarenzaken over 2016

uitspraakdatum: 14 oktober 2016

zaaknummers: GAZ 2015/74461 en GAZ 2016/78761

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[Naam],

wonende in Curaçao,

klager, hierna: [Klager],

gemachtigden: mrs. W.E. Fortin en R.D.A. Cicilia,

tegen:

de Regering van het Land Curaçao,

zetelende in Curaçao,

verweerster, hierna: de Regering,

gemachtigden: mrs. F.R. Brouwer en L.M. Virginia.

1 Procesverloop

1.1. [

Klager] heeft op 30 juni 2015 een pro forma bezwaarschrift, met producties, en op 10 september 2015 een definitief bezwaarschrift (zaak no. GAZ 2015/74461) ter griffie van het Gerecht ingediend tegen de brief van de Korpschef van het Korps Politie Curaçao van 3 juni 2015.

1.2.

Op 10 december 2015 heeft de Regering een contramemorie ingediend.

1.3.

Op 9 mei 2016 heeft [Klager] een bezwaarschrift, met producties, (zaak no. GAZ 2016/78761) ter griffie van het Gerecht ingediend tegen het landsbesluit van 25 februari 2016.

1.4.

Op 9 augustus 2016 heeft de Regering een contramemorie ingediend.

1.5.

Partijen hebben de volgende producties ingediend:

- op 31 augustus 2016 producties zijdens de Regering;

- op 1 september 2016 producties zijdens [Klager];

- op 23 september 2016 producties zijdens de Regering.

1.6.

Ter zitting van 5 september 2016 is de behandeling van het bezwaar met nummer GAZ 2015/74461 aangehouden nadat partijen aan het Gerecht hebben meegedeeld dat [Klager] ook het bezwaar met nummer GAZ 2016/78761 had ingediend. Beide bezwaren zijn inhoudelijk behandeld ter zitting van het Gerecht van 26 september 2016. [Klager] is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Namens de Regering zijn verschenen A. Daal, R.M. Kramers (Verandermanager respectievelijk juridisch medewerker bij het Korps Politie Curaçao) en mr. Brouwer voornoemd. De uitspraak wordt bij vervroeging gedaan op heden.

2 Feiten

2.1. [

Klager] was werkzaam bij het Korps Politie Curaçao (hierna: KPC) in de functie van Medewerker Mentor bij het Wijkteam Rio Canario. [Klager] heeft die functie al vanaf 2007 feitelijk niet (volledig) uitgeoefend, omdat hij vanaf 2007 herhaaldelijk door zijn superieuren werd belast met verschillende opdrachten die niet binnen de bij evengenoemde functie behorende functiebeschrijving vielen. Zo heeft de toenmalige Korpschef hem in 2007 opgedragen om een motorbrigade op te richten. [Klager] heeft de leden van de brigade geworven en opgeleid en fungeert vanaf de oprichting van de motorbrigade tot heden als commandant daarvan. Vanaf 2009 tot heden is [Klager] “ter beschikking gesteld” van de Korpschef van het KPC. In het kader daarvan voert [Klager] verschillende opdrachten uit voor de Korpschef en neemt hij waar voor de Chef Centrale Meldkamer wanneer deze afwezig is. Tot bedoelde opdrachten behoren onder andere het coördineren van publieke evenementen en bijzondere transporten en het coördineren van veiligheidsaspecten van bezoeken van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. Verder was [Klager] tot 2013 ook aangewezen als coördinator van de politiecellen.

2.2.

In het kader van de reorganisatie van het KPC heeft de Korpschef aan [Klager] meegedeeld dat hij in het Gereorganiseerde KPC (hierna: GKPC) in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center zal worden benoemd. [Klager] heeft als reactie daarop te kennen gegeven het daar niet mee eens te zijn, omdat hij, kort gezegd, gelet op de opdrachten waarmee de Korpschef hem heeft belast in aanmerking meent te komen voor een hogere functie.

2.3.

Bij de in overweging 1.1 genoemde brief van 3 juni 2015 (hierna: de brief) heeft de Korpschef aan [Klager] meegedeeld: “(…) Aan u is een volgfunctie aangeboden, waartegen u bezwaar heeft. Als gevolg van de door u verrichte tijdelijke waarnemingen, kan u echter geen beroep doen op het bepaalde in artikel 1 letter h van het Convenant, om een plaatsing in een andere hoger gewaardeerde functie te eisen. Uw bezwaar is derhalve ongegrond. (…)”.

2.4.

Bij het in 1.3 genoemde landsbesluit van 25 februari 2016 (hierna: het landsbesluit) is [Klager] met ingang van 1 december 2013 benoemd in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center en bezoldigd conform schaal 9p, trede 13.

3 Beoordeling

3.1.

Ten aanzien van het bezwaar tegen de brief oordeelt het Gerecht als volgt. De benoeming van een ambtenaar in een bepaalde functie binnen het GKPC geschiedt bij door de Minister van Justitie en de Gouverneur ondertekend landsbesluit. De brief is door de Korpschef ondertekend. De Korpschef is ten aanzien van de benoeming van een ambtenaar van politie in een bepaalde functie niet het bevoegd gezag, zodat de brief reeds om die reden niet op rechtsgevolg gericht kan zijn. De brief heeft een zuiver informatief karakter, namelijk [Klager] informeren dat het bevoegd gezag in zijn bezwaren geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op het aan hem kenbaar gemaakte voornemen om hem in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center te benoemen. De brief is dan ook geen beschikking in de zin van artikel 3 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: RAR). De wijziging in de rechtspositie van [Klager], namelijk de benoeming in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center heeft op grond van het landsbesluit plaatsgevonden. Het landsbesluit is dus wel op rechtsgevolg gericht. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de RAR is het Gerecht dan ook niet bevoegd om te oordelen over het bezwaar tegen de brief, maar is het Gerecht wel bevoegd om kennis te nemen van het landsbesluit.

3.2.

De bezwaren van [Klager] tegen het landsbesluit komen, samengevat weergegeven, op het volgende neer. [Klager] heeft in de afgelopen jaren, in ieder geval vanaf de aanvang van de “terbeschikkingstelling” aan de Korpschef in 2009 naar volle tevredenheid van zijn superieuren opdrachten uitgevoerd van een hoger niveau dan de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center en heeft herhaaldelijk de functie van Chef Centrale Meldkamer waargenomen. Om die reden maakt hij, aldus [Klager], aanspraak op benoeming in een hogere functie dan de functie waarin hij in het GKPC is benoemd. Voor hem passende functies zijn de functie van Chef Centrale Meldkamer of Chef Wijkbureau. [Klager] heeft geen (waarnemings)toelages aangevraagd voor de door hem uitgevoerde opdrachten en deze zijn ook niet aan hem toegekend. Door de terbeschikkingstelling is [Klager] bevorderingen misgelopen. Korpsleden die dezelfde functie als [Klager] hadden in het KPC en die niet ter beschikking van de Korpschef zijn gesteld, zijn namelijk wel bevorderd, omdat het voor hen wel mogelijk was om de werkzaamheden behorende bij de functie waarin zij formeel zijn benoemd uit te oefenen en in aanmerking te komen voor bevorderingen. [Klager] heeft desondanks niet verzocht om beëindiging van de terbeschikkingstelling en heeft ook geen bevorderingsverzoek ingediend bij het bevoegd gezag, omdat aan hem is toegezegd dat hij bij de reorganisatie van het KPC bevorderd zou worden en dus in het GKPC in een hogere functie zou worden geplaatst. Met de benoeming in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center is die toezegging ten onrechte niet nagekomen. Daarom kan het landsbesluit niet in stand blijven, aldus nog steeds [Klager].

3.3.

Het Gerecht oordeelt als volgt.

3.4.

Vast staat dat het Convenant Reorganisatie KPC van toepassing is op de overplaatsing van [Klager] van het KPC naar het GKPC. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g van het Convenant worden korpsleden op grond van het principe “mens volgt functie” geplaatst, hetgeen betekent dat de ambtenaar van politie de taken en werkzaamheden behorende bij zijn oude functie in het GKPC zoveel mogelijk blijft uitoefenen. In verband daarmee is aan de korpsleden een “volgfunctie” aangeboden. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h van het Convenant is een volgfunctie een functie binnen het GKPC waarin een ambtenaar conform het “mens volgt functie principe” wordt geplaatst, dus een functie die qua taakinhoud voor 2/3 deel of meer overeenkomt met de functie die de ambtenaar gedurende de periode van minstens drie jaar voorafgaand aan de implementatie van het inrichtingsplan Curaçao (lees: de periode van 1 december 2010-1 december 2013) bekleedde. Daargelaten dat [Klager] dat niet, althans onvoldoende gesteld heeft, kan op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd niet worden aangenomen dat de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center niet een volgfunctie betreft ten opzichte van de functie van Medewerker Mentor. Uit de door partijen ter zitting gegeven toelichting kan worden afgeleid dat een Teamleider in het GKPC minstens evenveel taken en verantwoordelijkheden heeft dan een Mentor in het KPC, zodat in ieder geval niet kan worden geoordeeld dat [Klager] in een functie van een lager niveau is geplaatst. De Verandermanager, de heer Daal, heeft ter zitting toegelicht dat bij de overplaatsing van [Klager] rekening is gehouden met alle werkzaamheden die hij gedurende de toetsingsperiode, de periode van 1 december 2010 tot 1 december 2013, heeft uitgevoerd en dat met inachtneming daarvan de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center de meest passende functie voor hem is. Verder is niet in geschil dat [Klager] in financieel opzicht erop vooruit is gegaan. [Klager] is namelijk op grond van het landsbesluit in schaal 9p, bezoldigingstrede 13 geplaatst, terwijl hij daarvoor conform schaal 9p, trede 5 werd bezoldigd. Het voorgaande brengt met zich dat niet kan worden geoordeeld dat de Regering [Klager] vanuit de functie van Medewerker Mentor in redelijkheid niet in de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center in het GKPC had kunnen plaatsen.

3.5.

Ter zitting heeft [Klager] naar voren gebracht dat aan hem is toegezegd dat hij voor de door hem in het kader van de terbeschikkingstelling uitgevoerde opdrachten bij de reorganisatie van het KPC beloond zou worden met plaatsing in een functie van een hoger niveau dan de door hem in het KPC beklede functie. [Klager] heeft gesteld dat de opdrachten die hij heeft uitgevoerd, bijvoorbeeld het coördineren van publieke activiteiten zoals karnavalsoptochten, taken zijn die onder de functiebeschrijving van de functie van Chef Wijkbureau vallen. Ook heeft hij gesteld dat hij steeds bij afwezigheid van de Chef Centrale Meldkamer deze functie heeft waargenomen. Om die reden meent hij in aanmerking te komen voor de functie van Chef Centrale Meldkamer of Chef Wijkbureau.

3.6.

Met het door hem gestelde miskent [Klager] dat hij bij de overgang naar het GKPC geen aanspraak kon maken op bevordering, omdat de overplaatsingen naar het GKPC zijn gedaan met inachtneming van het principe van “mens volgt functie”. Op grond van dat principe heeft [Klager] recht op benoeming in een functie die qua taakinhoud voor 2/3 deel of meer overeenkomt met de functie die hij gedurende de toetsingsperiode bekleedde. Zoals hierboven reeds is overwogen, is niet gebleken dat de functie van Teamleider Gezamenlijke Meldkamer en Call Center niet een volgfunctie betreft indien de oude functie van [Klager] en de werkzaamheden die hij feitelijk gedurende de toetsingsperiode heeft uitgevoerd in acht worden genomen. Bovendien heeft [Klager] geen bevorderingsverzoek ingediend bij het bevoegd gezag voorafgaand aan de overgang naar het GKPC. Bevordering is thans dan ook niet aan de orde. [Klager] heeft verder onvoldoende toegelicht dat de werkzaamheden die hij feitelijk deed in de toetsingsperiode voor 2/3 deel of meer overeenkomen met de taken behorende bij de functies van Chef Centrale Meldkamer of Chef Wijkbureau. [Klager] heeft in ieder geval niet betwist dat hij steeds voor korte periodes de functie van Chef Centrale Meldkamer heeft waargenomen, zodat niet kan worden aangenomen dat sprake was van een langdurige doorlopende waarneming op grond waarvan [Klager] aanspraak zou kunnen maken op benoeming in die functie. Voor het oordeel dat de Regering hem ten onrechte niet in een van die functies heeft benoemd, bestaat dan ook geen grond.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan hetgeen [Klager] voor het overige in beide zaken (GAZ 2015/74461 en GAZ 2016/78761) heeft gesteld niet tot een ander oordeel leiden en behoeft dat ook geen bespreking.

3.8.

Het voorgaande brengt met zich dat geen aanleiding bestaat om de door [Klager] verzochte schadevergoeding wegens kosten van juridische bijstand toe te wijzen.

4 Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

GAZ 2015/74461:

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het bezwaar;

GAZ 2016/ 78761:

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus uitgesproken door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor beide partijen binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger of gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest, en in alle andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending van de uitspraak of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, hoger beroep open op de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken. Zie titel IV hoofdstuk 1 van de RAR.