Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:7

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
Gaza nr. 2851 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

motiveringsgebrek afwijzing bevorderingsverzoek

Klager heeft erop gewezen dat hij dezelfde werkzaamheden verricht als zijn collega X, die met ingang van 1 oktober 2007 is bevorderd naar de rang van adjunct-commies (schaal 6) en met ingang van 1 oktober 2011 naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7).

Het gerecht stelt vast dat verweerder niet duidelijk heeft kunnen maken in welk opzicht de functie van recreatiesportleider verschilt van die van activiteitenleider. Verweerder heeft vooralsnog geen steekhoudende verklaring kunnen geven voor het verschil in behandeling tussen klager en zijn collega. Dit betekent dat de bestreden beschikking leidt aan een motiveringsgebrek en daarom niet in stand kan blijven. Het bezwaar is derhalve gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 februari 2016

Gaza nr. 2851 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1. PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 10 november 2014 heeft verweerder afwijzend beslist op klagers verzoek om met ingang van 1 november 2009 te worden bevorderd naar de rang van adjunct-commies (schaal 6).

Tegen deze beschikking heeft klager op 18 november 2014 bij dit gerecht bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft geen contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 februari 2015, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder is verschenen bij gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen. Van deze gelegenheid heeft verweerder op 23 maart 2015 gebruik gemaakt. De behandeling ter zitting is voortgezet op 14 september 2015, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde; verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door M. van Embden, directeur van het Instituto Biba Saludabel y Activo (IBISA).

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder als motivering ten grondslag gelegd dat klagers verzoek om bevordering niet kan worden ingewilligd, aangezien de door hem beklede functie van activiteitenleider bij IBISA maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 5 en klager met ingang van 1 november 2007 reeds de maximale waardering van deze functie heeft bereikt.

2.2

Klager heeft de juistheid van deze motivering betwist en daartoe – samengevat – betoogd dat de door hem bij IBISA (voorheen: IDEFRE) vervulde functie die van recreatiesportleider is, die maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 7. In dit verband heeft hij erop gewezen dat hij dezelfde werkzaamheden verricht als zijn collega X, die met ingang van 1 oktober 2007 is bevorderd naar de rang van adjunct-commies (schaal 6) en met ingang van 1 oktober 2011 naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7).

2.3

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat het gerecht ervan uit dat ten tijde van de bestreden beschikking op het personeel werkzaam bij IBISA nog steeds van toepassing was het functiewaarderingsbesluit, zoals dat gold voor IDEFRE. In dit functiewaarderingsbesluit zijn onder meer opgenomen de functie van recreatiesportleider, die gewaardeerd is op het niveau van minimaal schaal 6 en maximaal schaal 10, en de functie van activiteitenleider, die is gewaardeerd op het niveau van minimaal schaal 2 en maximaal schaal 5.

2.5

Het gerecht stelt vast dat verweerder, ook desgevraagd ter zitting, niet duidelijk heeft kunnen maken in welk opzicht de functie van recreatiesportleider verschilt van die van activiteitenleider. Ook klagers stelling dat klager bij ontstentenis van de door hem genoemde collega regelmatig zijn werkzaamheden waarneemt en andersom is door verweerder niet weersproken. Vaststaat voorts dat klager het diploma “Recreatiesportleider-algemeen” heeft behaald. Niet gebleken is verder dat klager, wat opleiding betreft, in enig opzicht onderdoet voor zijn collega. Tot slot heeft het gerecht op grond van de stukken die verweerder heeft overgelegd met betrekking tot de bevordering van meergenoemde collega naar achtereenvolgens de rang van adjunct-commies en adjunct-commies 1ste klasse, vastgesteld dat de door deze beklede functie daarin afwisselend is aangeduid als activiteitenleider en recreatiesportleider.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder vooralsnog geen steekhoudende verklaring heeft kunnen geven voor het verschil in behandeling tussen klager en zijn collega. Dit betekent dat de bestreden beschikking leidt aan een motiveringsgebrek en daarom niet in stand kan blijven. Het bezwaar is derhalve gegrond. Verweerder zal worden opgedragen om binnen een termijn van drie maanden opnieuw op het bevorderingsverzoek van klager te beschikken.

2.6

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het bezwaar van klager gegrond;

 vernietigt de beschikking van verweerder van 10 november 2014;

 bepaalt dat verweerder binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bevorderingsverzoek van klager.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, 2e lid, La).