Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:66

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 2450 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

de straf van ontslag is niet onevenredig – bezwaar is ongegrond Gelet op de aard en ernst van de overtredingen is het gerecht verder van oordeel dat klager niet heeft voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en integriteit die aan gevangenisinrichtingswerkers bij de overheid moeten worden gesteld. Daar komt nog bij dat klager geen onberispelijke staat van dienst heeft. De straf van ontslag is daarom niet onevenredig te achten. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 3 oktober 2016

GAZA nr. 2450 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de heer A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 1 september 2015 no. 2 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder klager – kort gezegd – primair met onmiddellijke ingang disciplinair ontslagen, subsidiair eervol ontslagen met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma), met ingang van de dag na dagtekening van de bestreden beschikking.

Tegen deze beschikking heeft klager op 21 oktober 2015 bezwaar gemaakt.

Namens verweerder is geen contramemorie ingediend. Op 10 maart 2016 zijn namens verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 maart 2016, alwaar klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Verweerder heeft aan het disciplinair ontslag ten grondslag gelegd, dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim omdat hij strafbare feiten heeft gepleegd, dat hij strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van bedreiging met een misdrijf en marihuanabezit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, dat hij laatstelijk bij Landsbesluit van 20 juni 2011 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd heeft gekregen en dat hij niet te vertrouwen is.

2.2

Klager kan zich niet verenigen met het hem verleende ontslag en heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder bij de beslissing hem (disciplinair) te ontslaan onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen, met name: dat hij nog schulden heeft, waaronder een hypotheeklening, die hij moet aflossen, dat hij al 58 jaar oud is en het voor hem zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn om elders werk te krijgen, alsmede dat hij al vanaf 2003 in overheidsdienst is, en dat de strafbare feiten zich geheel buiten de werksfeer hebben afgespeeld. Voorts heeft klager betoogd dat, voor zover sprake mocht zijn van plichtsverzuim, er geen evenredigheid bestaat tussen het plichtsverzuim en de opgelegde straf.

2.3

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede grond heeft kunnen beslissen om klager disciplinair te ontslaan wegens door hem gepleegd ernstig plichtsverzuim.

2.4

Het wettelijk kader

2.4.1

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit.

2.4.2

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

2.4.3

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 85, lid 1 van Lma, dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke uitvoering naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

De feiten

2.5

Het gerecht gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.5.1

Klager is op 3 februari 2003 in overheidsdienst getreden, en bij Landsbesluit van 3 februari 2015 benoemd als ambtenaar in vaste dienst met ingang van 1 januari 2015. Klager is als gevangenisinrichtingswerker werkzaam bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba.

2.5.2

Bij Landsbesluit van 11 oktober 2010 is klager de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens gepleegd plichtsverzuim.

2.5.3

Bij Landsbesluit van 20 juni 2011 is klager de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, wegens plichtsverzuim gepleegd in het jaar 2009.

2.5.4

Bij brief van 13 januari 2015 heeft het Openbaar Ministerie in het kader van het protocol informatieverstrekking de DRH bericht dat klager wordt verdacht van het plegen van bedreiging met een misdrijf en dat hij is aangehouden en twee dagen in verzekering is gesteld, dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek loopt, en dat hij bij de Landsrecherche heeft verklaard dat hij marihuana en cocaïne gebruikt.

2.5.5

Op 22 januari 2015 hebben surveillerende politieambtenaren met toestemming van klager, zijn auto doorzocht en daarbij twee zakjes met een op marihuana lijkende kruid aangetroffen en een zakje met op cocaïne lijkende substantie. Klager heeft toen verklaard dat deze voor eigen gebruik waren.

2.5.6

Bij Landsbesluit van 13 maart 2015 is klager met toepassing van artikel 87 sub c van de Lma, met ingang van de dag van dagtekening van het Landsbesluit, in het belang van de dienst in zijn ambt geschorst. Klager heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

2.5.7

Bij brief van diezelfde datum is klager ter verantwoording geroepen en is hij in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden ter zake van de hem verweten gedragingen. Klager heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.5.8

Bij brief van 21 mei 2015 heeft het Openbaar Ministerie in het kader van het protocol informatieverstrekking de DRH bericht dat klager bij onherroepelijk vonnis van het Gerecht van 21 mei 2015 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen met een proeftijd van twee jaar voor bedreiging met een misdrijf en marihuanabezit.

De beoordeling

2.6

Het verboden marihuanabezit en het plegen van bedreiging met een misdrijf leveren naar het oordeel van het gerecht ernstig plichtsverzuim op. Dat dit buiten diensttijd is geconstateerd doet daar niet aan af. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken kan ook het overtreden van een voorschrift in de privésfeer worden aangemerkt als plichtsverzuim. Verweerder was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen.

2.7

Gelet op de aard en ernst van de overtredingen is het gerecht verder van oordeel dat klager niet heeft voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid en integriteit die aan gevangenisinrichtingswerkers bij de overheid moeten worden gesteld. Daar komt nog bij dat klager geen onberispelijke staat van dienst heeft, nu hij in het recente verleden immers twee keer disciplinair is gestraft, laatstelijk met een voorwaardelijk ontslag. Hij was dus een gewaarschuwd mens. De straf van ontslag is daarom niet onevenredig te achten. Dat de financiële gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

2.8

Het bezwaar van klager zal ongegrond worden verklaard.

2.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 3 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).