Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:63

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 2094 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

: bevorderingsvoorstel komt niet voor toewijzing in aanmerking – bezwaar ongegrond Functiewaarderingsbesluiten moeten op één lijn worden gesteld met besluiten van algemene strekking en kunnen niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

Verweerder heeft op goede gronden kunnen concluderen dat het voorstel om klaagster te bevorderen, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 3 oktober 2016

GAZA nr. 2094 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

procederend in persoon,

gericht tegen:

De Minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beslissing van 18 augustus 2015 heeft verweerder de directeur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) bericht dat zijn voorstel van 16 mei 2014 om klaagster te bevorderen naar schaal 9, niet voor inwilliging vatbaar is.

Tegen deze beslissing (hierna: de bestreden beschikking) heeft klaagster op 16 september 2015 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht.

Namens verweerder is geen contramemorie ingediend.

Op 8 en 29 januari 2016 hebben klaagster en verweerder enkele stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 februari 2016, alwaar klaagster is verschenen in persoon en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna heeft verweerder op verzoek van de rechter bij akte van 7 maart 2016 nadere stukken overgelegd. Klaagster heeft bij akte van 25 april 2016 op deze stukken gereageerd.

Uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Aan de bestreden beschikking is ten grondslag gelegd, dat klaagster niet voldoet aan de bevorderingseis van functiezwaarte, omdat de functie van Controleur pensioenen bij de SVB maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 8 en klaagster dat niveau vanaf 1 juli 2006 reeds heeft bereikt.

2.2

Klaagster kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij met ingang van 1 februari 2010 intern is bevorderd van Beoordelaar tot Controleur pensioenen, een functie met meer verantwoordelijkheid. Volgens klaagster kan het niet zo zijn dat de functie van Controleur pensioenen op hetzelfde niveau is gewaardeerd als de functie van Beoordelaar. Klaagster heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, en ter onderbouwing daarvan aangevoerd dat een collega, mevrouw [X], in de functie van Controleur pensioenen is bevorderd naar schaal 9.

2.3

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft geweigerd klaagster te bevorderen naar schaal 9.

Bij de beoordeling stelt het gerecht voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van het bevoegde gezag. Dit betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.4

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

Voor een bevordering tot de rang van commies 1ste klasse in schaal 9 geldt onder meer de voorwaarde dat de betrokken ambtenaar een functie bekleedt die een waardering op het niveau van commies 1ste klasse rechtvaardigt.

2.5

In geschil is de waardering van de functie Controleur pensioenen bij de SVB.

Niet in geschil is dat klaagster laatstelijk vanaf februari 2010 tot haar ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in april 2014, de functie van Controleur pensioenen heeft bekleed. Evenmin is in geschil dat klaagster laatstelijk met ingang van 1 juli 2006 is bevorderd tot de rang van commies in schaal 8.

2.6

Uit de door verweerder overgelegde waardering van de functie Controleur pensioenen van 16 februari 2016 kan worden afgeleid dat die functie maximaal het niveau van schaal 8 bereikt. Niet in geschil is dat deze functiewaardering is gedaan aan de hand van het door klaagster mede ondertekende functie-inventarisatieformulier van 8 mei 2014.

2.7

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, moeten functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter, en de daaraan ten grondslag liggende functie- of organisatiebeschrijvingen op één lijn worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid van de LA, niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

2.8

Nu de functie, die klaagster laatstelijk heeft bekleed, is gewaardeerd op maximaal het niveau van schaal 8 en klaagster dit niveau reeds heeft bereikt, kan zij niet verder worden bevorderd. Gelet hierop en op hetgeen hierboven is overwogen is het gerecht van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat het voorstel van de Directeur SVB om klaagster te bevorderen naar schaal 9, niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.9

Wat betreft het beroep van klaagster op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het gerecht dat uit het overgelegde fif van mevrouw [X] van 15 mei 2001 blijkt dat zij, anders dan klaagster, leiding gaf aan 3 ondergeschikten. Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 3 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).