Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:60

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
Gaza nr. 2156 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bezwaar is niet prematuur – bezwaar is gegrond Nu verweerder geen beslissing heeft genomen op het verzoek van klaagster mocht zij, gelet op de aard van het verzoek, aannemen dat verweerder heeft geweigerd op haar verzoek te beschikken. Weliswaar is nog geen jaar verstreken na het verzoek van klaagster, doch dit doet er, gelet op de aard van het verzoek, niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 juni 2016

Gaza nr. 2156 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster] ,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. E.C. Wever-Croes,

tegen:

de directeur van Instituto di Alarma y Seguridad Aruba (IASA) ,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Klaagster is ambtenaar in de functie van financieel medewerker bij Instituto di Alarma y Seguridad Aruba (IASA).

Bij brieven van 14 november 2014, 19 mei 2015 en 8 juli 2015 heeft klaagster aan verweerder verzocht om haar zo spoedig mogelijk haar functie te laten hervatten, daar de bij beschikking van 4 oktober 2014 opgelegde toegangsontzegging is vervallen.

Tot heden heeft klaagster geen reactie zijdens verweerder op haar verzoek mogen ontvangen. Tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek heeft klaagster op 23 september 2015 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 januari 2016, alwaar zijn verschenen klaagster bij haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 41, lid 1 van de La wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is.

In lid 2 van dit artikel wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

2.2

In geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of klaagsters bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek ontvankelijk is.

2.3

Het bezwaar van klaagster is ingediend na verloop van tien maanden na het (eerste) verzoek van klaagster van 14 november 2014. Verweerder betoogt dan ook dat klaagsters bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek(en) prematuur is ingediend.

2.4

Conform vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken is de redelijke termijn voor een fictieve weigering één jaar. Bijzondere gevallen, afhankelijk van de aard van de zaak, kunnen aanleiding geven om hiervan af te wijken. Het gerecht stelt vast dat bij de behandeling ter zitting omstandigheden zijn aangevoerd, waaruit blijkt dat in dit geval aanleiding bestaat om aan te nemen dat na de termijn van tien maanden een fictieve weigering is ontstaan. Klaagster wordt sedert het schrijven van verweerder niet toegelaten tot haar functie, terwijl zij dit al meerdere malen heeft verzocht en daarbij in aanmerking genomen dat de aan klager bij beschikking van 4 oktober 2014 opgelegde toegangsontzegging reeds door tijdsverloop is vervallen.

2.5

Nu verweerder geen beslissing heeft genomen op het verzoek van klaagster van 14 november 2014, zoals herhaald op 19 mei 2015 en 8 juli 2015, mocht zij, gelet op de aard van het verzoek, ten tijde van het indienen van haar bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op haar verzoek te beschikken. Weliswaar is nog geen jaar verstreken na het verzoek van klaagster, doch dit doet er, gelet op de aard van het verzoek, niet aan af. Naar het oordeel van het gerecht is het bezwaarschrift tegen deze (fictieve) weigering tijdig ingediend.

2.6

Nu verweerder nog altijd niet inhoudelijk op klaagsters verzoek heeft beslist, is het bezwaar gegrond en zal de bestreden (fictieve) beschikking nietig worden verklaard. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368, waaruit volgt dat de weigering te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is derhalve (primair) een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Verweerder zal derhalve alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klaagster. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

2.7

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gegrond;

- vernietigt de bestreden fictieve weigering om te beslissen op het verzoek van klaagster van 14 november 2014;

- draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak schriftelijk op het verzoek van klaagster te beschikken.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).