Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:58

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 2088 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

plichtsverzuim – disciplinaire straf niet onevenredig Klager heeft zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim is de opgelegde disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig. Het beroep van klager op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 juni 2016

GAZA nr. 2088 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 19 augustus 2015, no. 40, is aan klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; daarbij is tevens bepaald dat deze straf met toepassing van artikel 85, eerste lid, van de Lma wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Klager heeft tegen deze beschikking op 16 september 2016 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Het bezwaar is op 22 februari 2016 en 30 mei 2016 ter terechtzitting behandeld, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Aan het aan klager opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden als gevangenbewaarder in het Korrektie Instituut Aruba (KIA) tezamen met een aantal collega’s een geboeide gevangene te mishandelen.

2.2

Klager ontkent niet de verweten gedraging te hebben begaan, doch stelt zich op het standpunt dat de disciplinaire maatregel van ontslag daarop een te zware reactie is. In dit verband heeft hij erop gewezen dat zijn handelen een uiting van frustratie is geweest, ingegeven door de zware en onveilige omstandigheden waaronder hij en zijn collega’s hun werk moeten doen. Voorts heeft hij betoogd dat verweerder, door anderen die zich eveneens hebben schuldig gemaakt aan de mishandeling van desbetreffende gevangene niet te bestraffen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.3

Met de voorzieningenrechter is het gerecht van oordeel dat klager door ten aanzien van de gevangene te handelen zoals hij heeft gedaan, naast het plegen van een strafbaar feit, tevens een belangrijke verplichting verbonden aan zijn functie als gevangenbewaarder heeft verzaakt. Het is immers zijn verantwoordelijkheid om de veiligheid van de in het KIA verblijvende gedetineerden te waarborgen. Zijn handelen kan derhalve als zeer ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt. De door klager gestelde zware en onveilige arbeidsomstandigheden maken niet dat dit plichtsverzuim niet aan klager kan worden toegerekend en werpen ook onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te komen dat in dit geval het gegeven ontslag een te zware sanctie is. De omstandigheid dat klager in zijn strafzaak in hoger beroep tot een lichtere straf is veroordeeld dan in eerste aanleg maakt dit niet anders. Ook in de strafrechtelijke veroordeling in hoger beroep komt de ernst van de gedraging voldoende tot uiting in het feit dat klager hiervoor is veroordeeld tot een werkstraf van honderdvijftig uren, bij de oplegging van welke straf overigens in strafmatigende zin rekening is gehouden met voornoemde arbeidsomstandigheden alsmede het onderhavige aan klager opgelegde strafontslag

2.4

Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem is toe te rekenen en dat de gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim de opgelegde disciplinaire straf van ontslag hieraan niet onevenredig is en verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het ontslag door het dienstbelang wordt gevorderd.

2.5

Het beroep van klager op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De omstandigheid dat tegen twee, tegelijkertijd met hem door de strafrechter veroordeelde, collega’s nog geen gelijke disciplinaire maatregel is getroffen, geeft onvoldoende blijk van schending van dit rechtsbeginsel. Daarbij is in aanmerking genomen dat in die zaken (inmiddels) eveneens het advies is uitgebracht om over te gaan tot onvoorwaardelijk ontslag.

2.6

Nu geen van de door klager aanvoerde gronden van zijn bezwaar slaagt, is het bezwaar ongegrond.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, ambtenarenrechter, en uitgesproken op 27 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).