Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:57

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 2216 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beschikking ontbeert een deugdelijke motivering – bezwaar is gegrond De bestreden beschikking ontbeert een deugdelijke motivering en dient te worden vernietigd. Het bezwaar is derhalve gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 20 juni 2016

GAZA nr. 2216 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[verzoekster],

wonende in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: mr. E. Duineveld,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 17 september 2015, no. 24, is aan verzoekster met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; daarbij is bepaald dat deze straf wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Voor zover deze ontslaggrond komt te vervallen is in het Landsbesluit bepaald dat aan verzoekster met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag wordt verleend, met ingang van de dag na dagtekening van het Landsbesluit.

Op 30 september 2015 heeft verzoekster tegen dit ontslagbesluit (hierna: de bestreden beschikking) bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Bij uitspraak van 27 oktober 2015 (GAZA 2217/2015) is het verzoek van klaagster tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak, toegewezen en is de bestreden beschikking geschorst totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist.

Verweerder heeft op 6 november 2015 een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 februari 2016, alwaar klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster kan zich niet verenigen met het haar gegeven disciplinair ontslag en stelt zich daarbij – kort samengevat – op het standpunt dat zij geen plichtsverzuim heeft gepleegd en dat het ontslag op onjuiste feiten is gebaseerd. Het Landsbesluit berust, aldus klaagster, derhalve op een ondeugdelijke motivering.

2.2

Het ontslagbesluit

In de bestreden beschikking wordt klaagster – samengevat – verweten, dat zij zich (samen met een collega) schuldig heeft gemaakt aan ernstige (ambts)misdrijven door op 13 november 2014 tijdens haar werkzaamheden als douaneambtenaar op de luchthaven een aan een controle onderworpen passagier te bedreigen en aldus te bewegen tot afgifte van geld. Tevens heeft zij (vermoedelijk) diefstal gepleegd door geld uit de handtas van die passagier weg te nemen.

Overwogen wordt dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid zich ten aanzien van het haar verweten gedrag te verantwoorden, dat het door haar getoonde gedrag ongepast en onaanvaardbaar is en als een grote mate van onverantwoordelijkheid wordt beschouwd, dat naar aanleiding van haar handelen ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van haar betrouwbaarheid en integriteit, dat zij met haar handelen de eigen integriteit en die van het Departamento di Aduana in ernstige mate heeft geschaad waardoor het Land geen vertrouwen meer kan hebben in haar, en dat de feiten waarvan zij wordt verdacht zeer ernstig zijn.

Verweerder concludeert dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat er derhalve aanleiding bestaat om haar de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, dan wel dat zij door haar handelswijze heeft laten zien dat zij niet te vertrouwen is en derhalve onbekwaam en ongeschikt is geworden voor het door haar beklede ambt, zodat er aanleiding bestaat haar met toepassing van artikel 98 lid 1 sub f van de Lma te ontslaan.

2.3

Het geschil

Beoordeeld dient te worden of verweerder op goede gronden heeft besloten klaagster (disciplinair) te ontslaan.

2.4

Het wettelijk kader

2.4.1

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.4.2

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

2.4.3

Artikel 85, lid 1 van de Lma bepaalt dat de straf niet wordt uitgevoerd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

2.4.4

Artikel 98, lid 1 en onder sub f van de Lma bepaalt dat, buiten de reeds in de wet of bij andere wettelijke regeling genoemde gevallen, de ambtenaar slechts kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem bekleden ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.5

De feiten en omstandigheden

2.5.1

Klaagster is ambtenaar werkzaam bij het Departamento di Aduana.

2.5.2

Op 25 november 2014 heeft mevrouw [X], aangifte tegen klaagster en een andere douaneambtenaar gedaan wegens diefstal en afpersing, gepleegd in functie op 13 november 2014.

2.5.3

Bij proces-verbaal van bevindingen videobeelden aankomsthal Aruba Airport Authority NV d.d. 13 november 2014, van 29 augustus 2015 heeft de Landsrecherche een zakelijke weergave gegeven van een opname op 13 november 2014 van de aankomsthal van de luchthaven, waarbij de visitatiecontrole die klaagster en haar collega op de aangeefster hebben verricht is waar te nemen.

2.5.4

Bij brief van 11 maart 2015 is klaagster in het belang van het onderzoek en van de dienst, de toegang tot – kort gezegd – het werk ontzegd. Bij brieven van 23 maart 2015 en 21 april 2015 is deze toegangsontzegging telkens voor een periode van zes weken verlengd. Klaagster heeft via haar gemachtigde bij brief van 16 maart 2015, met als onderwerp “toegangsontzegging” weergegeven hoe de visitatiecontrole van mevrouw [X] op 13 november 2014 is verlopen en verzocht het onderzoek zo spoedig mogelijk af te ronden.

2.5.5

Bij brief van verweerder van 11 juni 2015 is klaagster in de gelegenheid gesteld zich jegens verweerder te verantwoorden ter zake van het verwijt dat zij gedurende haar werkzaamheden op 13 november 2014 een passagier zou hebben afgeperst en/of bedreigd en/of bestolen door uit de handtas van die passagier een bepaald geldbedrag weg te nemen. In die brief is tevens vermeld dat er sprake is van voornemens tot ontslag.

2.5.6

Bij Landsbesluit van 11 juni 2015, no. 2 is klaagster in haar ambt geschorst met toepassing van artikel 87 sub b van de Lma.

2.5.7

Bij de bestreden beschikking is klaagster met onmiddellijke ingang ontslagen.

2.5.8

Bij voornoemde uitspraak van dit gerecht (GAZA 2217/2015) van 27 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:

“(…)

2.5 (…)

Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet kunnen zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Het bestuursorgaan moet in het kader van een disciplinair onderzoek zelfstandig de feiten onderzoeken die tot het treffen van een disciplinaire maatregel aanleiding kunnen geven. (…)

2.6 (…)

Blijkens het behandelde in raadkamer heeft verweerder uitsluitend de beschikking over de aangifte van de persoon ten aanzien van wie verzoekster de strafbare feiten zou hebben gepleegd, alsmede over een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot hetgeen door een verbalisant van de Landsrecherche is waargenomen op videobeelden die op 13 november 2014 zijn opgenomen in de aankomsthal van de luchthaven.

2.7

In het licht van de hiervoor in rechtsoverweging 2.5 weergegeven maatstaf moet worden betwijfeld of het door verweerder aan het bestreden landsbesluit ten grondslag gelegde bewijs zijn conclusie kan dragen dat het aan verzoekster verweten plichtsverzuim in voldoende mate vaststaat. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit het genoemde proces-verbaal van bevindingen niet blijkt dat op de videobeelden enig laakbaar gedrag van verzoekster is waar te nemen. Weliswaar blijkt uit een eveneens in dit proces-verbaal weergegeven verklaring van het diensthoofd van de sectie Douane Luchthaven dat een zogenaamde visitatiecontrole gemiddeld zo’n vijf minuten duurt, doch dit is op zichzelf onvoldoende om de dertig minuten die de visitatiecontrole van de aangeefster blijkens de videobeelden in beslag heeft genomen, als zodanig ongewoon aan te merken dat daarin een concrete aanwijzing is gelegen dat verzoekster de haar verweten gedragingen heeft begaan. Derhalve resteert als concreet bewijs voor die gedragingen vooralsnog uitsluitend de verklaring van de aangeefster. Waarom verweerder aan die verklaring meer geloof hecht dan aan de ontkennende verklaring van verzoekster, behoeft onder deze omstandigheden nadere motivering, welke in het landsbesluit ontbreekt en die ook in raadkamer door verweerder niet is gegeven. (…)”

De beoordeling

2.6

Met de voorzieningenrechter constateert het gerecht dat als concreet bewijs voor de klaagster verweten gedragingen slechts voorhanden is, de aangifte van mevrouw [X] tegen klaagster. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit het genoemde proces-verbaal van bevindingen niet blijkt dat op de videobeelden enig laakbaar gedrag van klaagster is waar te nemen.

2.7

Dat een derde aangifte doet tegen een ambtenaar, kan die ambtenaar niet worden verweten. Voorts volgt uit de omstandigheid dat aangifte is gedaan niet zonder meer dat die ambtenaar zich ook schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten of aan enig plichtsverzuim. Dat aangifte is gedaan kan wel aanleiding zijn om een disciplinair onderzoek te starten, zoals in dit geval ook is gebeurd.

2.8

Tegenover de aangifte staat de ontkenning van klaagster dat zij zich tijdens de visitatiecontrole op die [X] schuldig zou hebben gemaakt aan enig (ambts)misdrijf of plichtsverzuim. Ter zitting heeft klaagster aangevoerd dat de visitatiecontrole van mevrouw [X] langer heeft geduurd dan hetgeen gebruikelijk is, omdat die [X] vier grote koffers bij zich had die één voor één moesten worden gecontroleerd omdat hetgeen zij had aangegeven niet klopte met de inhoud van die koffers. De koffers zijn toen helemaal uitgepakt en daarna moest alles weer worden ingepakt. Het gerecht acht deze verklaring niet onredelijk. Dat klaagster hierbij enig voorschrift heeft overtreden dan wel iets heeft gedaan, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten, is niet gebleken.

2.9

Gelet hierop heeft verweerder zijn beslissing om meer geloof te hechten aan de aangifte van [X] dan aan de ontkenning van klaagster (en haar collega), nader moeten motiveren.

2.10

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking wat betreft het disciplinair ontslag een deugdelijke motivering ontbeert en dient te worden vernietigd.

2.11

Nu verweerder op grond van hetzelfde feitencomplex en voorhanden zijnde bewijs heeft besloten dat klaagster wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt dient te worden ontslagen, is het gerecht van oordeel dat ook deze beslissing een deugdelijke motivering ontbeert en dient te worden vernietigd.

2.12

Het bezwaar is derhalve gegrond. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. In aanmerking genomen dat voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling in de procedure inzake het treffen van een voorziening bij voorraad geen wettelijke grondslag bestaat, alsmede gelet op de beslissing van het gerecht in die procedure, ziet het gerecht aanleiding om in de thans uit te spreken kostenveroordeling mede de kosten te betrekken die klager in die procedure heeft moeten maken. Die kosten kunnen, evenals de kosten gemaakt in de bodemprocedure, geacht worden op de voet van artikel 86, derde lid, van de La voor vergoeding in aanmerking te komen. De kosten worden begroot op in totaal Afl. 1.200,- voor salaris van de gemachtigde.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt het Landsbesluit van 17 september 2015, no. 24;

veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.200,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).